Fietsbel-Biesje.reismee.nl

Noordkaap 2007, deel 4

Za 30 juni 2007

Ik heb heerlijk geslapen en heerlijk gedroomd, ik weet niet meer precies waarover maar ik weet dat het wel een hele fijne droom was, ‘kan ook niet ander want ons hele gezinnetje kwam er in voor, zelfs Henk en Henriette.

De zon brandt me de tent uit, oké, ik sta wel op. Ik moet trouwens ook vreselijk naar de wc. Het is gelukkig nog vroeg als ik in m'n T-shirt met motorlaarzen over de camping naar de toiletten loop. Ik hoop maar dat niemand me gezien heeft. Het T-shirt is nét een beetje te kort.

Ik duik weer heerlijk mijn lakenzakje in om nog héél eventjes de oogjes te sluiten, heel eventjes maar.

Het is al laat als we werkelijk opstaan, jammer dus.... Bij Jos, de ex-conducteur, bestel ik twee koffie. Gisteren hebben we in de supermarkt brood met voorverpakte omelet gekocht, eetbaar maar ook niet meer dan dat.

We pakken de boel weer op en rijden in de volle zon weer verder naar het zuiden. Het lijkt me mooi om vandaag de Nigardsbreengletsjer te bereiken. Maar eerst de Geiranger, die moet volgens zeggen ook best wel geinig zijn.

Wanneer we net van de camping af rijden moeten we gelijk stoppen voor een hele kudde schapen op de weg, prachtig.

Het schitterende weer en de prachtige weg zorgt voor een superrit. Ineens staan we boven aan de Adelaarsweg. Een soort Trollstigen halverwege de Geirangerfjorden. Het uitzicht is adembenemend mooi. Aan het begin van de slingerweg is een plekje gecreëerd waar je mooi over de fjord kunt uitkijken.

Voorzichtig rijden we langs de elf scherpe haarspeldbochten naar beneden.

Geiranger is een heuse toeristentrekker, opgenomen in de Unescolijst van plezante fjorden of zoiets.

Pieter stelt voor om de veerboot te nemen die heen en terug naar Hellesylt, een vaart van twee uur vice versa. We kunnen ook wel op een van de rondvaartboten mee, maar die zijn zo'n drie keer duurder dan de veerboot.

De motoren laten we bij de pier staan, hopen dat er niks vanaf gejat wordt. We hangen eerst zo'n anderhalf uur rond in het dorpje. Koffie drinken is een hele belevenis met al die voorbij slenterende mensen, vooral veel schone dames qua uiterlijk. Heerlijke koffie overigens.

Wanneer we de boot oplopen, gaan we direct door naar het dek. Dit is lang geleden dat ik voor het laatst een boot opgelopen ben. We confisqueren twee stoelen en vleien ons neder. De zon staat wellustig aan de hemel te ploeteren, goed zo jongen, lekker warm hoor. We gaan aan stuurboordzijde zitten, rechts dus. Zo kunnen we de heenweg de ene zijde van de fjord zien en op de terugtocht de andere. Dit is gewoon planmatig toerisme.

Langzaam stroomt de boot vol met kwetterende Japanners. Deze mensen hebben over het algemeen slechts elf vakantiedagen per jaar! Logisch dat zij al hun reizen overdreven veel fotograferen, elf dagen is gewoon te kort om alles in je op te nemen. Dan maar thuis in Nippon verder vakantie vieren met alle kiekjes. Japanners maken niet zo maar foto's van de omgeving; zij moeten er zelf ook op staan. Anders is het niet echt of zo. Volgens mij zijn dit de zelfde mensen die we op de Noordkaap ook al zijn tegengekomen, òf ze lijken veel op elkaar, dat kan natuurlijk ook.

Naast ons gaan twee strak in het vel zittende Duitse motorrijders zitten. De jongste trekt zíjn trui uit en zit weldra met z'n ruim bemeten buik te pronken in de zon. Charmant, zo met z'n zwartleren motorbroek en z'n metallicblauwe ‘ROOF'helm. De man heeft veel weg van een rollade. Zijn motorhandschoenen zijn aan de bovenkant bezet met grote, glimmende metalen platen, twee voor elke vinger en nog twee hele grote bovenop zijn hand.

De tocht is schitterend, we hebben stralend weer.

In verschillende talen worden de bezienswaardigheden benoemd. Het Duits begint elke keer met: 'Meine sehr geëhrte Damen und Herren.....'. Talloze watervallen glijden aan ons voorbij, sommige van wel tweehonderdvijftig meter hoog. Tegen de steile wand staan nog een paar, fraai gerestaureerde boerderijtjes. Een pad of weg is niet te bekennen. Vroeger ging alles per boot. De mensen leefden van hun fruitbomen en vis. Het schijnt zelfs dat de kleinere kinderen aan een touw vastzaten om maar niet van de helling te donderen.

In Hellesylt gaan de meeste mensen van de boot. Heinrich ROOF heeft een koket geel boodschappenmandje op z'n stoere motorfiets, beetje lullig.

Op de boot mag niet gerookt worden dus wij stappen ook even af. Haast automatisch zoek ik 'n 'paaaaaaaltje', hoeft niet, onze fietsjes staan gebroederlijk uit te rusten in Geiranger.

Zo, nu de andere kant van de fjord. Ook mooi. Het is een heel stuk rustiger op de boot, de Japanse toeristen zijn weer enthousiast kwetterend doorgebust. Wanneer we het laatste stuk naar Geiranger invaren, zie ik in grote witte letters de naam ‘Henk' gekalkt.

Hoe zal het met Henkie zijn. VanNina hoorde ik dat hij de dag dat wij vertrokken, ineens weggelopen was, in dezelfde richting als waar wij ‘s ochtends deHoofdstraat uit reden. Pas na lang zoeken kwam een hele lieve dame van de Molenweg hem terugbrengen. Misschien is hij geschrokken van het onweer, of wilde hij me toch achterna rennen, arme hond. Ik mis het dier. Hij zal me nu al wel vergeten zijn, takkehond.

Als we weer op de kade staan zien we de beide fietsjes heerlijk uitgerust in het zonnetje staan. Alles zit er nog op en aan, ‘hadden we eigenlijk ook niet anders gedacht. Natuurlijk staan ze gewoon te popelen om weer lekker te rijden, onze keutelfietsjes. Ik heb ook weer zin om te gaan.

We rijden Geiranger uit. Net buiten het dorp worden we aangehouden door een vriendelijke Noorse. Of we even willen wachten, een stukje verder wordt namelijk een bruidspaar gefotografeerd. Prima, ik ga even lekker op een muurtje zitten, uitkijkend over de diepe fjord.

Na een minuut of vijf kunnen we weer verder rijden, bruid en bruidegom zijn al weg, jammer. Ik had het gelukkige stel graag willen zien.

Na een stevige klim komen we op een vlakker stuk. Tussen de rotsen liggen grote sneeuwvelden. We stoppen even om te genieten. Het is hier stil, heerlijk stil. De hele dag hoor je, boven het ‘oh zo tevreden' gebrom van de motor, het gedonder van de rijwind in je oren. Stilte is dan echt heel erg stil.

Na een paar kilometer komen we bij een deels bevroren meer. Tussen de plakken ijs schittert het diepblauwe water in de zon. Dit is pas oh en ah.

Linksaf kunnen we naar Dalsnibba. Eigenlijk weten we niet wat dat is, maar het tolpoortje maakt ons nieuwsgierig. We betalen een paar krønen en rijden naar boven. Het hele stuk rijden we over los gravel. Het is goed opletten, het gravel voelt slipperig aan. Het beste kun je hier gewoon rustig blijven doorrijden. Als je stopt, kom je haast niet weg. De elf haarspeldbochten brengen ons naar een hoogte van anderhalve kilometer boven de fjord.

Bovenop is een parkeerplaats met een hoge betonnen stoeprand eromheen. Onverdroten rij ik tot aan de rand en kom tegen de betonnen rand tot stilstand. Direct hierachter is een diepte van een dikke honderd meter. (Zo, dat is pas lekker stoer, zo tot aan het randje.) Ik wil de motor ook zo dicht tegen de rand hebben voor de foto's, dat is veel mooier, toch? Dit is dus het punt waar vanaf al die schitterende foto's van de Geiranger zijn gemaakt, geweldig. Vooral met dit weer is het fenomenaal. De wolken ‘schaduwen' zich prachtig in het groene dal. Halverwege het dal begint de fjord met aan het einde de schitterende Örneveien, de Adelaarsweg, waarlangs we eerder deze middag naar beneden reden. Het is best druk hierboven.

Ook hier weer een bus vol Japanse toeristen. Supervriendelijke mensen, de hele tijd maar buigen en lachen. Én kakelen. Een paar vrouwen dragen en paraplu tegen de zon. Geen parasol maar een heuse paraplu. Ik heb eens ergens gelezen dat juist de Japanse vrouwen het mooi vinden om bleek te zijn. Misschien is dit om dat de bleke huid de reine huid is, niet verkleurd door de zon. Natuurlijk kun je ook veel mooier met kleuren werken op een lichte, bleke huid.

Een stukje naar beneden is een uitstekende rots waar je uitstekend kunt zitten, lekker rustig in je eentje. We klimmen naar beneden, gelukkig loopt het redelijk rustig omlaag. Dat kun je vanaf de rand van de parkeerplaats niet zien. Het moet voor de mensen boven een raar gezicht zijn dat wij, ogenschijnlijk zo de diepte induiken. We maken weer de meest hachelijke foto's ooit. (valt wel mee hoor).

Ik vlei me neder op een rotspunt. Voor me zie ik alleen maar ruimte, recht voor mij uit, boven, links, rechts en óók naar onder. Mijn voeten hangen nét over de rand. Geiranger ligt op een dikke vijf kilometer voor me. Ik zit als het ware op de rand van een héle grote badkuip; zes kilometer lang, twee breed en anderhalve kilometer diep! Het voelt als een trechter, het lijkt wel of deze diepte mij wil opzuigen, brrrrr.

Ik ga toch maar even weer naar boven, voordat er enge dingen gebeuren. (Nina vertelde mij dat een korte tijd na ons, inderdaad iemand in de diepte moet zijn gestort, zijn lichaam is onder aan dit klif gevonden). Aan de zijkant van de parkeerplaats loopt het licht glooiend naar beneden. Het hele stuk ligt onder een dikke laag sneeuw.Joelend glijd ik moeizaam op mijn kont naar beneden. Dit glijdt eigenlijk voor geen meter.

Dan maar sneeuwballen gooien met Pieter, midden in juni, ha. Naast Pieter staat een ouder Japans echtpaar. De vrouw maakt ook een sneeuwbal en gooit hem in mijn richting. Daar is dan ook alles mee gezegd; goed mis. Het moet toch niet gekker worden: in juni, midden in Noorwegen, met uitzicht op de mooiste fjord ter wereld (zegg'n ze), bekogeld worden met sneeuwballen door een Japanse vrouw.

Ik kan natuurlijk niet gewoon een bal terug keilen dus gooi ik maar weer naar Pieter, die zich net omgedraaid heeft. Met een frisse pets knalt de sneeuwbal op Pieters kalende kruintje uiteen. De Japanners juichen en ik krijg welhaast een staande ovatie.

Als we weer op de motor willen stappen, raken we aan de praat met een jong Noors stel. Zij zijn samen een rondrit door Noorwegen aan het maken, allebei met hun eigen motor. Gezellige mensen. Ik vond de rit naar boven best wel spannend en heb dan ook best wel respect voor het meisje. Zij heeft nog maar net haar rijbewijs gehaald.

Het is al half zes als we behoedzaam naar beneden rijden. Onder aan de slingerweg stoppen we weer bij het schitterende ijsmeer met de veelbetekenende naam Djupvatnet. Een snelstromend beekje schiet onder het sneeuwdek vandaan en stort zich in het meer, glashelder water. We vullen beide onze veldflessen met puur smeltwater, schoon en fris, heerlijk.

Na een kleine tien kilometer komen we bij een driesprong. Het Noorse stel, van net, staat met de motor langs de kant. Een stukje terug haalden ze ons, enthousiast zwaaiend in. Ik stop naast hun en vraag of ik iets kan doen.

Dit is eigenlijk een soort ongeschreven motorrijdercode. Als je een motorrijder langs de weg ziet staan, hoor je even te stoppen om te vragen of je kunt helpen. Helaas schijnt dat in ons eigen kleine ego-landje géén regel meer te zijn. Toen ik ongeveer een jaar geleden met een kapotte versnellingsbak langs de A31 bij Harlingen stond, reden vele motoren mij, quasi ongezien, voorbij. Pas na een uur stopte een oudere man op een prachtige oude Honda CB 750 Four om te kijken wat er aan de hand was. Hij was zelfs omgereden om bij mij te komen. That's the spirit. Wij worden in Nederland veel te solitair, alleen onze eigen ik is belangrijk. De rest van de wereld is eigenlijk alleen maar noodzakelijke ballast, ‘use it or dump it'. Zie Wilders en zijn aanhangers; alleen maar aan hun eigen benepen leventje denken. Volgens mij past de naam Ikwil-ders beter bij deze engerd. Merde, ik zit nú in Noorwegen. Dit is een van de mooiste reizen van mijn leven. Nederland is nu taboe voor mij, ha. Genieten zul je, kreng.

De enige reden dat ze beide hier stilstaan, is om ons nog een hele goede reis te wensen. Dit is echt heel fijn, superlieve actie. Dit kan dus ook, gelukkig. Hartelijk nemen we afscheid, zij slaan rechtsaf op de 15 en rijden richting het westen. Wij gaan de andere kant op, richting Lom.

Dit is het, de mooiste weg die ik tot nu toe gereden heb. Geen vette stuurweg, maar een zestig kilometer lange frisgrijze asfaltstreep door een waanzinnig schitterend landschap.

Dit is het Ottadalen, een ondiep dal op ongeveer duizend meter hoogte. We rijden door een soort steppe. Links van ons loopt het deels besneeuwde landschap langzaam schuin omhoog. Rechts zien we een aantal smalle meren, onderling verbonden door een snelstromende rivier aan ons voorbij glijden. Aan de overzijde van de meren gaat het rotsige landschap weer langzaam omhoog. Omdat we langzaam dalen, ligt elk meer ook steeds weer lager dan het vorige. Ik heb nog nooit meren op terrasniveau gezien. Het weer is schitterend, zonnig met prachtige witte wollige wolken. We zijn volstrekt alleen, we komen echt niemand tegen. Dit is nou waar ik zo gesteld op ben, dit is werkelijk je van het, hèt ultieme landschap; wijds, woest en verlaten. Rijdend maken we foto's en filmpjes, er is toch geen kip op de weg.

Na zo'n veertig kilometer stoppen we bij een camping aan de linkerzijde. Ze hebben wel plaats, maar er is geen eetgelegenheid. Ze hebben gelukkig wel een soort campingwinkeltje met bier enzo. Ik laad mijn kleine felrode rugzakje vol en we rijden weer verder. In Bismo stoppen we om even te eten en te tanken. Ik wil ook nog even shag kopen. Groot is mijn schrik als ik buiten merk dat mijn pakje Noorse halfzware shag mij zo'n €20,- heeft gekost. KUT, dit is wel heel erg duur, omgerekend vierenveertig gulden voor één pakje shag met vloeitjes, oeps. Nu word ik toch door de Noorse overheid gedwongen om nòg meer van mijn sjekkies te genieten, ik wou er net mee stoppen. ‘Is nait aans.

Hoe lager we komen, des te kolkender stort de Otta zich door het dal. Tegen negenen rijden we Lom binnen. Lom lijkt een beetje op een grote koekoeksklok. Veel donker hout en snijwerkjes. Hier moet ergens een grote camping zijn, maar Annie stuurt ons er ruim voorbij, takketrut. (Misschien hebben wij zelf niet zo goed opgelet, maar dat hoeft zij niet te weten.) Na een tijdje zoeken vinden we de camping, schreeuwend duur. €36,- voor twee tentjes, bah. Gelukkig is het sanitair van topklasse, ieder heeft zijn eigen badkamertje, met douche en wasbak, dus meer een douchekamer. Alles is superschoon en uit de speakers klinkt een zoetgevooisde neuzelstem van de een af andere Noorse ‘Clousseau', aaaarch.

Snel zetten we de tent op. Pieter wordt tijdens de klus gebeld doorHillary en probeert een haring, al bellend de grond in te krijgen, moeilijk hè.

Wanneer we net de tentjes hebben staan, rijdt een hoestende en kuchende Triumph Firebird het terrein op. De Zweedse rijder zet, met de grootste moeite een rare éénstoks punttent op. Wat een onooglijk en moeilijk ding. Als hij klaar is, zet hij z'n ‘ïkke wøl ëën prååtje måkken' gezicht op en loopt op Pieter af. Even later zie ik Gert en Antje op ons aflopen. Wij hebben hen eerder ontmoet op de camping op de Kaap. Een aardig stel vijftigers waar we in hun caravan lekker mee hebben zitten kletsen. We blijven weer een hele tijd kletsen. Leuk dat je van anderen ook de reiservaringen hoort. Echt gezellige mensen.

Languit voor de tent genieten we van de rust en het bier. Ik heb m'n Guinness en Pieter heeft Hansa bier. Dat is leuk voor broertje Hans, zo'n blikje. Pieter rijdt met zijn motor over het blikje totdat deze plat genoeg is om in een enveloppe verstuurd te worden.

Tegen enen lopen we naar de rivier. De Otta loopt vlak langs de camping. We zitten wat te kloten met een stukje piepschuim wat op de kant ligt. Wedstrijdje. Pieter gooit een enorme kei aan de rand als lanceerplatform voor onze zelfgemaakte bootjes. Je mag alleen maar de daar aanwezige materialen gebruiken. Met het piepschuim, twijgjes, houtjes en bloemetjes maken we ieder een prachtig vaartuig, eigenlijk meer tuig dan vaar! Welk bootje komt vanaf het platform het eerst in de sterke middenstroming terecht en vaart het eerste weg, dat is de strijd. Het is echter toegestaan om een bootje met voorsprong bruut en meedogenloos te stenigen (onder het mom van helpen natuurlijk). Dat houdt de strijd mooi open. Mijn jacht heeft, na een half uurtje dobberen, het ruime sop gekozen. Pieters scheepje verkoos toch liever de veilige wal, watjesbootje. Dat betekent bekogelen met stenen, naar de kelder met die schuit. Pets, doormidden. Bootje naar de haaien, ha.

Pieter maakt nu een grotere, met zeil (plastic zakje langs de kant). Het wordt een hele constructie.

Na de plechtige tewaterlating komt het schip in een eindeloze cyclus van rondjes draaien. Met een paar welgemikte keien komt hij eindelijk in de stroomversnelling terecht. Dat is niet leuk. Weer bekogelen dus, Pieter gooit een tactische steen op het achterdek en daarna eentje midscheeps. Krakend en kreunend kapseist het gevaarte en gaat ten onder. Vet.

Het is onderhand al half vier. We lopen tevreden kwekkend, als een stel kleuters weer naar de tent. Douchen en slapen. Als ik in de tent stap zie ik dat ik visite heb. Een prachtige roodbruine kater heeft zich heerlijk in mijn tas genesteld. Vette pech, opzouten. Na het douchen zie ik de kat buiten, krakend een mol verorberen. Moet dat nou verdorie zo dicht bij mijn tent. 'Ksssssjt.'

Het was een schitterende mooie heerlijke volle dag.

Slaap zacht.

Zo 1 juli 2007

Het is stralend weer, de tentjes zijn helemaal droog. We gaan eerst even lekker eten in de ‘kantine' van de camping. De tenten pakken we straks wel in.

Ik bestel een heerlijke uitsmijter met brood en een kopje koffie. Dit is toch het meest ultieme ontbijt, voedzaam en vet bovendien. We zitten lekker buiten op het terras, vlak bij de rotonde. Het is rustig op straat, het is tenslotte zondag. Pieter, de stoere stouterd, schenkt binnen nog een tweede kopje in, lekker zonder te betalen. ‘Moest die camping maar niet zo duur zijn.

Heerlijk voldaan lopen we weer terug naar de tent. Snel pakken we de hele zooi op, het is al tien uur.

Vandaag willen we naar de Nigardsbreen-gletsjer.

Vlak bij de camping gooien we de tank vol, en rijden hene. Al snel beginnen we te stijgen. Na een lange flinke klim komen we op een besneeuwde hoogvlakte. We rijden nu langs de rand van het ‘Jotunheimen nasjonalpark', Op het hoogste punt, 1465 meter, stoppen we. Hier waan je je volledig in een wintersportgebied. De langlaufers glijden voorbij, echt waar.

Dat wil ik ook dus ik klim een besneeuwd hellinkje op. Het is even klauteren om op de anderhalve meter dikke sneeuwlaag te komen. Het hele pakket is aan de zijkant helemaal gesmolten, alsof het met een mes is uitgesneden. Even met de bipjes heen en weer bewegen op de maagdelijke sneeuw, dat doen de curlingspelers ook met hun steen, dan glijdt'ie beter. Ik zet me af en ik glijd, zachtjes maar toch. Bijna onderaan moet ik toch maar stoppen; een hele berg sneeuw heeft zich in mijn broek verzameld. We blijven nog een tijdje van het heerlijke witte uitzicht genieten en rijden dan verder. Vanaf nu is het alleen maar dalen, eerst langzaam maar dan steil. Met haarspeldbochten. Naar beneden is toch leuker dan naar boven. Het is best spannend om steeds maar weer je remmoment te verlaten, en dan op het juiste moment het gas erop, heerlijk.

Beneden, op 14 meter hoogte, begint mijn buikje te kriebelen. Eten, tankstation. Nét voor ons worden de laatste twee pølsen verkocht, merde. 'No, I'm sorry, I'm afraid those two were the last ones', zegt het krullerige studiebolleke achter de balie. Merde, maar dan echt. Ik wil eten. Zwaar teleurgesteld rijden we verder. Tankstations zijn hier niet zo veel, dus we moeten maar ergens bij een cafeetje stoppen of zo. Na een paar kilometer stoppen we bij een leuk restaurantje vlak bij een waterval. Of andersom natuurlijk, het is maar wat je belangrijk vindt. Voor mij is het restaurant nu belangrijker dan de waterval.

We bestellen allebei een subliem broodje hamburger, heerlijk. Naast walvissen doden kunnen de Noren ook prima hambo's maken. Echt rul gehakt, heerlijk fijn gekruid, verse sla en een kekke saus. Dit is wederom genieten.

Het is nog steeds heerlijk weer, we zitten buiten op het terras. Naast ons zitten twee Spaanse stellen. Met z'n vieren rijden ze op twee snelle toerfietsen, Honda's of zo. Van Spanje tot hier, en ook nog via de Noordkaap zoals de stickers op de motoren laten zien. Respect, vooral voor degene die achterop zitten.

We drinken nog een flesje fris en stappen weer op. Het terrein is bergachtig en flink bebost, qua bomen. Heel mooi, maar we zijn meer gewend. Dit is mij allemaal een beetje te lief, met die leuke kleine dorpjes in het dal.... Gelukkig kent deze weg hele leuke bochtjes waar het fijn sturen is.

Bij Gaupne slaan we rechtsaf. We moeten nu een prachtig weggetje volgen door een zonnig maar nauw dal. De hellingen zijn haast volledig bedekt met dichte naaldbossen. Schuin onder ons zien we een snelstromend riviertje met kristalhelder water. Dit zal wel smeltwater van de gletsjer zijn.

Na zo'n twintig kilometer beginnen mijn oogjes toch wel heel zwaar te worden. Als ik nog langer doorrij, gaat het mis. Volgzaam, maar verbaasd rijdt Pieter achter me aan een bruggetje over. Ik stop en zet mijn fiets tegen het brughek. 'Ik moet even stoppen, Pierre. Anders gaat het fout. Ik kan haast mijn ogen niet meer openhouden. Ik zal toch een klein tukje moeten doen'. Gelukkig vindt Pieter dit een gulden plan. We liggen languit op een soort alm in het malse gras, in de volle zon. Heerlijk. Ik heb de indruk dat ik direct weg ben......... Het wordt toch wat warm, zo in vol ornaat in de brandende zon. We verplaatsen ons onder een boom in de berm, even verder rusten. Na een half uurtje is het weer klaar. We kloten nog wat bij het riviertje en rijden weer verder.

Het is nog maar een klein stukje tot aan de gletsjer. Maar eerst moeten we tien hele kronen (€1,25) neertellen om überhaupt in het gletsjerdal te komen. Op zo'n anderhalve kilometer van de werkelijke gletsjer is een ruime parkeerplaats. Pieter zet z'n fiets neer en binnen een paar tellen staan er allemaal oudere mannen omheen. Het lijkt wel of ze vroeger allemaal een motor hebben gehad.

Ik kleed me om, en leg m'n spullen onder de motor. Natuurlijk neem ik wel de belangrijke papieren en fototoestel mee. De rest blijft, in goed vertrouwen bij de fiets. Gelukkig heb ik mijn bergschoenen meegenomen, dat loopt een stuk makkelijker dan mijn stugge motorlaarzen.

De wandeltocht naar het ijs gaat over allemaal gladgeslepen rotspartijen. Het is best wel klauteren zo. Vooral omdat we,Biesjes eigen, natuurlijk weer een alternatieve route nemen, die niet echt makkelijker is.

De gletsjer is hoog, wel zo'n tien meter. Het ijs schijnt onnatuurlijk helblauw op. Schitterend.Een stukje verder is voor de toeristen, wij dus, een trapje in de ijsmuur uitgekapt. Met mijn bergschoenen aan is het zo glad dat ik maar tot de tweede tree kan komen. Geeft niks, wij hebben een heuse gletsjer beklommen. Done it.

Ik breek een klontje gletsjer af en sabbel op het vijfduizend jaar oude stukje, dat is oud. Dit water is nog nooit door een mensenhand beroerd. Het smaakt gewoon als water, je kunt net zo goed de diepvries plunderen.

Zoals altijd, lijkt de terugtocht een heel stuk korter. Waarschijnlijk omdat we nu wèl de officiële route nemen. Natuurlijk moeten we ook even een head-dip in het meertje maken, Pieter zelfs in z'n blote bast, de bikkel.

Na zo'n drie kwartier lopen komen we weer bij de motor. Ik kleed me weer om en pak de zooi weer netjes op mijn fiets, klaar.

Tegen zessen rijden we weer weg. Op naar Sogndal, net voor de Laerdaltunneln. De rit van de Nigardsbreen-gletsjer naar Sogndal stelt eigenlijk niet zo veel voor. We zijn waarschijnlijk gewoon een beetje te veel verwend. De oh's en ah's zijn nu meer mwah's.

Onderweg stoppen we bij een grote supermarkt om het bierblikje voor Hans op de post te doen. Hier kunnen we gelijk de boodschapjes doen voor vanavond.

Het is zo'n beetje negen uur als we de camping in Sogndal oprijden. Gelukkig hebben ze nog een hutje vrij. Minder fijn is dat het hutje zo'n twintig meter hoog tegen een steile helling ligt.

Er is zelfs een haarspeldbocht in het paadje naar boven. Ik moet wel drie keer op en neer lopen om alles naar boven te krijgen. Met een beetje moeite zou dit wel in één keer moeten lukken, maar op de een of andere manier krijg ik dat niet voor elkaar. 'Planning Robje, planning'. Nadat we de zooi hebben afgeladen, rijden we het stadje in om ergens te gaan eten. In een erg trendy restaurant bestellen we een volwaardig maal. We zitten lekker op het terras als we worden aangesproken door een stel Japanners. 'Hello, you remember me?, I threw snowball at you'. Dit is dezelfde vrouw als op Dalsnibba, bij de Geiranger. Zo zie je maar, ‘it's a small world when you're having fun'. Zij en haar man lachen en buigen nog wat, en lopen weer vrolijk verder.

Het eten is heerlijk. Zo ook de serveerster, die bij Pieter kleine streepjes kwijl aan zijn mondhoeken ontlokt. Hij weet zelfs een extra chocolaatje te scoren, de charmeur.

Na de koffie, met chocolaatjes dus, rijden we weer terug naar ons kleine huisje op de berg.

We zitten prinsheerlijk op ons piepkleine verandaatje met uitzicht over een pieletje van de Sognefjord. Gedurende de avond zien we elke keer weer dezelfde autootjes het tankstation, beneden bij de weg, binnenrijden. Kennelijk is dat een geliefde bezigheid van de Noorse jeugd; even door de stad toeren en dan weer terug naar de Shell.

Het wordt weer een latertje, met name doordat we zo lang mogelijk doen over ons laatste pilsje. Het is niet anders. Ik voel mijn oogjes weer zwaarder worden, het wordt tijd om te gaan slapen.

Droom fijn.

Ma 2 juli 2007

Wakker. Het regent licht. Ik neem plechtig voor om maar één keertje naar beneden te lopen en niet meer omhoog. Dat kan makkelijk want ik laat gewoon een paar tassen van de berg afrollen. De motor heb ik gisteravond tegen de receptie aan gezet. Met Annie er nog op. Wanneer ik Annie eraf haal terwijl het regent, krijg ik steeds weer sluiting. Dan maar Annie gemonteerd laten. Ik heb er gisteravond wel even een handdoek over heen gehangen. Zo van: lekker drogen onder het afdakje of zo.

We stappen weer op en rijden verder. Bijna missen we de Laerdaltunneln, met een kleine vijfentwintig kilometer de langste tunnel ter wereld. Noorwegen is een land van superlatieven: de langste tunnel ter wereld, de mooiste fjord ter wereld, de noordelijkste camping te wereld, de noordelijkste bierbrouwerij ter wereld, de mooiste kustweg ter wereld, het noordelijkste postkantoor ter wereld, het noordelijkste havenplaatsje ter wereld, enz., enz.

De tunnel is gewoon 2-baans, goed verlicht met netjes afgewerkte wanden. Heel anders dan al die donkere spelonken waar we eerder doorheen zijn gekomen. Op drie plaatsen, verdeeld over de hele lengte, zijn grote gewelven in de berg uitgehakt. Hier kun je mooi even stoppen.

De hallen zijn feeëriek helblauw verlicht, met onderaan mooie gele lampen, prachtig. Als er geen verkeer aan komt, en je roept/zingt luid 'KUT-NO-REN' krijg je een prachtig akkoord dat heerlijk lang blijft nagalmen. Met een volle kerkelijke stem galmt Pieter een hymne, of zoiets, door de halfronde ruimte. De Notre Dame is hier niets bij, waanzinnig mooi. Ik dacht altijd al dat mijn oudste broer theologische trekjes had, al is hij een verwoed atheïst.

Na zes kilometer stoppen we weer. We zitten nu 12,25 kilometer in de tunnel, precies in het midden met zo'n anderhalve kilometer aan berg boven ons. Hoezo claustrofobie.

Ik wil een filmpje maken van Pieter die door de blauwe zaal komt rijden, dat moet een prachtige sound geven. Op een stil moment, komt Pieter op zijn BMW voorbijrazen. Helaas blijkt later dat ik mijn fototoestel niet op filmen heb staan, merde, wat ben ik ook een knurft.

Staand op de motor kan ik, met het toestel om de nek, best wel redelijke filmpjes maken. Je kunt dan beide handen gewoon aan het stuur laten, wel zo veilig.

Wat een idioot lange tunnel. Je zou maar eens tunnelbouwer zijn, die net de eerste drilboor in de rotswand zet. Na een week heb je misschien vijftig meter weggebroken, en je hebt nog vierentwintigduizendvierhonderdvijtig meter te doen. Dan slaap je toch niet lekker.

Al met al zijn we zo'n beetje drie kwartier in de tunnel. Ondanks de gigantische ventilatoren stinkt het als de ‘hel in autoland'. Het lijkt wel of je de hele tijd door een enorme uitlaat rijdt. Als we eindelijk weer buiten zijn haal ik opgelucht adem. De schone lucht is echter maar van korte duur. Tientallen tunnels liggen nog in het verschiet deze dag. De Laerdal was wel de topper.

We twijfelen even, we moeten eigenlijk rechtsaf, maar linksaf ga je naar Geilo. En zo'n plaats laat je toch niet links liggen. Wij wel, anders hadden we het Shell station ‘Kort & Kont niet gezien.

We rijden een heel stuk langs de Sørfjord. Overal langs de fjord zien we smalle stroken met kersenbomen. Het doet haast Italiaans aan. We gaan van dorpje naar dorpje. Zo nu en dan rijden we dwars door een dorpje, voordat we überhaupt de notie hebben om netjes vijftig te rijden, sorry.

Als we door Odda rijden, stinkt het naar industrie, dat ben ik niet meer gewend hier. Dit is nu een groot voordeel van motorrijden. Naast het feit dat je een veel ruimer blikveld hebt, hoor je ook alles beter. Je voelt ook alles, zoals kou, warmte, regen etc. Zo kan het zo maar gebeuren dat je op een stuk open terrein zo maar een paar honderd meter door de kou rijdt, terwijl je daarna weer door een warm stuk rijdt. De geur is ook belangrijk. Zelfs met mijn beroerde neus (qua geur dus) merk ik rijdend best wel veel verschillende geuren op. Oost-Duitse bruinkool in Turku, vis in Reine en ?, hyacinten in Bodø, wintersportgeur op de Jotunheimen, anijs in het Suldal en stront in het Røldal. Toch een behoorlijke verscheidenheid aan geurtjes, denk ik zo. Al dit soort ervaringen heb je gewoon niet in een auto, daar is alles alleen maar binnen, óf buiten de auto. Verder niets.

Vlak na Odda stoppen we bij een gigantische waterval, niet zo hoog maar wel erg woest.

Ik wil mijn zitkussentje even wat verder opblazen, ik krijg wat pijn aan de bippen. Dit zal straks heerlijk zitten zeg, mmmmm.

Als ik op het bruggetje sta, lijkt het net of het flink regent. We roken nog een sjekkie en rijden weer verder. Weer een hoogvlakte, waanzinnig mooi. Alles onder een dik sneeuwdek. We zitten hier aan de rand van de roemruchte Hardangervidda, een groot ‘nasjonalpark'. De weg duikt weer naar beneden, een tunnel in. Deze tunnel loopt in een spiraalvorm naar beneden, lijp. Ik zit op de motor te vloeken. 'Komt er nou niet eindelijk eens een eind aan dit ding, of hoe zit dat'. Annie is de weg kwijt als we het spiraaltje uitrijden, wij ook. Volgens de kaart op mijn tanktas zitten we in het Røldal. Als ze weer bij is kiest ze de 13, recht naar het zuiden. Wij kiezen echter de 520.

Dit blijkt een prachtig, supersmal B-weggetje door een haast vergeten dal te zijn. We komen niemand tegen. Tenminste de eerste 35 kilometer niet. Plotseling komt een titanic truck om de bocht, oeps, dit kan toch niet. Wij hebben al moeite om met de motor deze weg te rijden, laat staan met een knots van een vrachtwagen met oplegger. Wij moeten steeds donders goed opletten met al die onoverzichtelijke krappe bochten. Zij moeten wel dezelfde weg volgen als wij, ze kunnen nergens anders heen en keren is helemaal taboe. Rare jongens die Noren.

Net voor Sand zie ik dat het al half acht is. We moeten nog een slaapplaats vinden en bier, of andersom eigenlijk. We stoppen bij een luxe hotel met hytter, alles vol. Er is echter wel een supermarkt op zo'n tien minuten rijden. Blazen dus naar de winkel. Om tien voor acht staan we in de winkel. Guinness, vet. En hele lange bierworsten. Ik neem eentje extra mee voor Niek thuis, dat zal hij wel lekker vinden, hoop ik. Anders eet ik hem wel zelf op.

We hebben nog steeds geen slaapplaats. Het is te koud en te nat om te gaan kamperen, dus een hutje, lekker verwarmd en droog zou heel fijn zijn.

In Sand komen we bij een camping met hutjes. Als ik aan een oude Noorse vrouw in een gore trui naar een huisje vraag, steekt ze onzeker zes vingers op 'zeks persøne'. 'Zwei persønne' zeg ik in mijn beste Noors. 'zeks persøne' zegt ze weer. 'Nou meissie, dat is dan mooi kut' zeg ik vriendelijk en we rijden weer de camping af.

Een stukje verder komen we bij de volgende Hytternoor. Hij schudt ons vriendelijk de hand en geeft me trots een rondleiding. Het ziet er inderdaad schitterend uit. Groot, schoon en luxe, mèt zwembad. 'How much?' vraag ik. 'For the two of you only 750 kroner', zegt de overvriendelijke hytterheer. 'That's far to much for us, thank you'. We zoeken wel verder.

Het is al best laat als we in Nesvik aankomen. Ook hier is niets te vinden. Je kunt nu wel duidelijk merken dat de Noorse zomervakantie begonnen is, alles is haast vol. Vanuit Nesvik nemen we de boot naar Hjelmeland. Gelukkig vinden we daar een leuk hutje in het groen. Het kost wel zo'n €25,- per persoon, maar wat moeten we anders. Het regent nog steeds en het is beslist niet warm.

Het avondeten bestaat vandaag uit het ontbijt van morgen. Volkoren broodjes met kaas en katenspek. Saai, maar wel een prima manier om de hoge prijs van het hutje te compenseren. Buiten is het donker, stom. Al meer dan 46 jaar wordt het elke dag weer donker, je weet gewoon niet anders. En dan verblijf je een dikke twee weken in het daglicht, en ineens is het donker zijn vreemd. Het wereldje om je heen is ineens heel klein geworden, ik zie alleen maar het dorpje bij het water, voor de rest niets. Toch een behoorlijk verschil met toen we in ?, midden in de nacht op het klif, meer dan 100 kilometer ver konden kijken.

We schrijven nog een beetje in het dagboek en kletsen nog wat. Het is mooi geweest, ik ben opski. Mmmmmpff.

Di 3 juli 2007

Tegen tienen staan we op, ik heb heerlijk geslapen. We hebben nog twee broodjes met beleg over van het avondeten. Samen met een lekkere beker melk heb je zomaar een heel ontbijt.

Vandaag gaan we naar de Preikestolen. Na afscheid te hebben genomen van de aardige buren uit Emmen, stappen we weer op en rijden verder over de ‘13'.

Het weer twijfelt een beetje; regen, zon of alleen maar bewokkeld. Het is maar een dik uur rijden naar de Preikestolen (Perestrojka boudeltje, zoals Robert eens zei).

Bij de parkeerplaats van de Preikestolen moet je betalen. Waarschijnlijk betaalt men hier het onderhoud van de Preikestolen van, eigenlijk wel een goed systeem vind ik. De motoren plakken we tegen een rotswand.

Ik moet eerst mijn bergschoenen aantrekken want het schijnt een best pittige klauterpartij te zijn. Ik doe mijn motorpak uit en alleen in joggingbroek en T-shirt gaan we naar boven. Mijn joggingbroek stamt ongeveer uit 1704, nèt voordat ze het joggen hadden uitgevonden. Hij is dan ook ietwat versleten. Het elastiek is gedevalueerd tot tiek, het elastische is niet meer. Trouwens; in 1704 hadden ze het elastiek ook nog niet uitgevonden, ‘kun je je voorstellen hoe ik er nu bij loop. Gelukkig heb ik bij de Vrijbuiter een soort heuptasje gekocht voor een flesje water, deze kan ook prima fungeren als riem, EUREKA. Broek omhoog en nog drinken ook, yes.

Volgens de Lonely Planet is vooral het eerste én het middenstuk zwaar. Ik heb er een beetje een hard hoofd in om twee uur te klimmen. We moeten over een kleine vier kilometer zo'n 330 meter klimmen, voor een sportman als ik voorwaar geen sinecure.

Het is best druk op de berg. Er is haast een constante stroom van afdalers, de een nog roder dan de ander. De echt zware dalende dikkerds geven haast licht. Zij hebben het flink zwaar. Ik vraag me af of ze überhaupt de top wel hebben gehaald. Verder zijn het voornamelijk dertigers die we tegenkomen.

Gelukkig is het redelijk weer, in ieder geval droog. Onderweg naar boven stoppen we drie keer, natúúrlijk om van het uitzicht te genieten. Ze mogen de wegenbouwer daar wel eens een keertje ter verantwoording roepen. Het eerste stuk is stevig klauteren over losse rotsblokken, flink steil. Daarna volgen afwisselend wat vlakke stukken en wat stevige klimpartijtjes. Ik vind het echt een zware klim, Pieter ook, en dat wil wat zeggen.

De mooie vrouwen die naar beneden lopen, doen mij haast de enkels verzwikken. Je moet constant verrekte goed oppassen waar je je voeten neerzet. Één misstap is voldoende.

We zijn nu halverwege. Gelukkig liggen hier houten vlonders, anders had ik al lang een kletspoot gehad. Dit is een schitterend stukje hoogveen.

Dan komt het tweede zware stuk. Ook hier alleen maar ronde keien van een halve meter tot wel twee meter doorsnee. Het lijkt net of een reus boven heeft staan te knikkeren, en dat de hele zooi vast kwam te zitten in de nauwe kloof waar wij nu overheen moeten.

Langzamerhand komen we boven de boomgrens. Het klimmen is veranderd in stukken heel vals plat met hier en daar een steil stukje, slopend. De route buigt naar links, naar de rand. De vervelend schuine rotsplateaus maken plaats voor een smal pad langs de afgrond. Gelukkig hebben de Noren ook hier vlonders en kabels geplaatst. Je zit hier wel een dikke vijfhonderd meter hoog. Na elke barrière hoop je een glimp op te vangen waar je heen moet. Niets. Blijven klimmen is het devies. Het is wel prachtig, het lijkt of je door steeds weer nieuwe landschappen loopt.

Ineens scheert een helikopter rakelings over ons heen, en maakt vervolgens twee rondjes. Nou, dan kan het toch niet zo ver meer zijn. Wanneer het smalle pad langs de afgrond een bocht naar rechts maakt, kunnen we eindelijk ons einddoel zien, wow. Dit is hoog.

Je kunt beneden in de Lysefjord een heel klein bootje zien varen, maar het is een heuse veerboot. Dit is hoog.

Helemaal boven aangekomen zien we alleen maar mensen. Geen hamburgers, geen hek, geen cola en geen bier. De Preikestolen lijkt het meest op een elfenbankje die aan de verticale rotswand zit geplakt, plat van boven en naar beneden iets inlopend. Behoedzaam lopen we naar de rand. Nu maar beter géén huzarensaladestukjes uithalen. Het laatste stukje kruipen we op de buik naar de rand van de meedogenloze afgrond. Meer dan 600 meter! Merde, dit is hoog.

Op 1 ½ meter van de rand durven we op één been te balanceren. Voor de foto! Sommige mensen zitten nonchalant op de rand, met de benen buiten boord, uhh, wij maar niet.

Met de voetjes, nét over het randje is meer dan genoeg. Het valt me op dat ik hier niet zo dat zuigende gevoel heb als bij de Geiranger, ik weet niet hoe dat kan.

Zo. Klaar, done it and seen it. We zijn nu een half uurtje op het klif en vinden het wel welletjes, ik begin het ook een beetje frisjes te krijgen. Logisch ook als je alleen maar een T-shirt aan hebt, grote knurft.

De tocht naar beneden is veel leuker dan omhoog. Eerst is het nog voorzichtig je voetjes neerzetten. Wat later stuiter je als een rubber balletje van rotsblok naar rotsblok. Als je eenmaal het vertrouwen hebt, kom je in een soort cadans. Door de snelheid raken je voeten maar heel licht het topje van de rotsblokken. ‘Gecontroleerd vallen', noemt Pieter het. Ik voel me net een jonge berghinde, lichtvoetig over de rotsen vliegend. Tijdens de afdaling halen we zeker wel tien groepen in. Supertof werk, wel levensgevaarlijk, maar toch tof. Zo nu en dan nog een paar keer het probleem met mooie vrouwen, oeps. Ik moet me gewoon alleen maar concentreren op de afdaling, en beslist niet op het schone vrouwvolk. Wij mannen kunnen gewoon géén twee dingen tegelijk.

Na een uurtje zijn we weer beneden. Een paar regendruppeltjes vallen op mijn ruim bemeten kruin. Stel je voor dat we nu nog halverwege de afdaling zitten, dat zou een glibberpartij zijn. Gelukkig zijn wij alweer onder.

In het hotel annex restaurant kopen we elk een prachtig groen T-shirt met een ruw getekende omtrek van de Preikestolen erop.

We lopen weer terug naar de motoren. Alles zit er nog op en aan. Tijdens het ‘klimmetje' van het restaurant naar de parkeerplek, voel ik m'n spiertjes flink tegengas geven. Jaaa, daar wordt je moe van, hè. We kleden ons weer aan voor een natte rit. Op een paar kilometer ligt de Preikestolencamping. Hier gaan we eten, lekker. We worden vriendelijk bediend door Limburgse stagiaires. Beide nemen we een gigantisch brood(je) hamburger met patat en melk. Er zijn drie stagiaires: een achter de balie, een die wat doet, en een die buiten bezig is met grasjes uit de oprit trekken. Buiten op het terras wordt ons een stel fantastische burgers voorgeschoteld, met sla, dus gezond.

Een roodharige vrouw zegt ons vriendelijk goedemiddag, en stapt de receptie binnen. 'Kom, schiet op, niet zitten, ga aan je werk' zegt ze tegen een van de stagiaires. In een mum van tijd is het humeur van de roodharige dame 180° gedraaid, ze is furieus, haast ontploft ze. 'Je hebt jezelf ook al duizend kronen korting gegeven. Hoe durf je. De buurman zei al: 'wie is die blonde del die de hele tijd staat te roken''. 'Nou mevrouw, ik ben geen del hoor' zegt het meisje terug. De uitbarsting nadert het kookpunt. Het meisje huilt. Ze geeft totaal geen tegengas. De rode vrouw foetert en foetert. 'Sodemieter op, godverdomme, ik wil je niet meer zien. Ik praat hier morgen met mijn man over, dan zullen we wel zien of je morgenavond je koffers al kunt pakken. Ik ben helemaal klaar met je'. Het meisje rent, hard huilend weg. Wij gaan ook maar weg. Ik weet niet wat ik ervan denken moet. Wij kennen de situatie helemaal niet dus het is moeilijk om een oordeel te vellen. Ik weet dat sommige stagiaires erg vervelend kunnen zijn, maar het zijn wel nog jongeren in een leerperiode. De reactie van de vrouw vind ik ronduit onbeschaamd. Hoe durf je zo, en plein public, iemand vollédig onderuit te halen. Een ding weet ik wel en dat is dat ik nooit één cent meer zal besteden aan deze vrouw. De hamburgers zijn prima, maar deze dame is volledig doorgedraaid.

We besluiten nog een uurtje te rijden en dan een hytter te gaan zoeken. Eerst de Spar, onze redder in nood. We slaan ontbijt, worst en bier in, nu nog een paar slaapplaatsen vinden. Bijna alle hutjes zitten vol. De regen komt onderhand met bakken uit de lucht en het wordt waterkoud. Ik wil een hutje, nu. Met een hete douche.

We stoppen bij een boerderij. Een vrouw komt naar buiten, kijkt naar onze nummerborden en zegt: 'we hebben helaas geen hutjes meer, maar mijn schoonmoeder, boven op de heuvel, heeft vast nog wel ruimte. Een ogenblikje, ik zal haar even bellen'. Even later komt ze weer terug. We krijgen voor €35,- per persoon de hele onderverdieping. Doen! De lucht wordt langzaam zwart, we kunnen nu helemaal geen tent meer opzetten, en dat willen we ook niet.

Hier zitten we nu, warm en droog. Twee slaapkamers, een keuken, douche en woonkamer met hal. Een compleet appartement, tof. Onder het genot van bier en worst zitten we in de living. In luxe ruime fauteuils aan een eikenhouten salontafeltje. De kleddernatte motorkleding hangt in de hal te druppen. Onder het schrijven zit ik naar Pink Floyd te luisteren, The Wall.

Nog een lolpeukje en dan slapen. Pieter krijgt, omdat hij vroeger altijd al de mooiste kamer mocht hebben, nu een koud, bleekblauw slaapkamertje. Ikzelf verkies de rode suite met riant uitzicht over de adembenemende fluviatiele omgeving. Morgen verlaten we dit schitterende land, ach en wee.

‘Truste

Wo 4 juli 2007

Gisteravond heb ik de kledingtas maar eens opnieuw ingedeeld, nu heb ik haast ruimte te over.

Tegen half twaalf zit alles weer netjes op de motor, wij ook. Vandaag rijden we het laatste stukje naar Kristiansand, nog zo'n 150 kilometer Noorwegen te gaan. Je merkt duidelijk dat het zuiden van Noorwegen een stuk meer bevolkt is dan de rest waar we doorheen zijn gekomen. Het is hier haast onaangenaam druk. Tjonge, wat rijden die Noren toch gedisciplineerd. Precies de toegestane snelheid wordt aangehouden, en dat met zulke heerlijke bochten. Het asfalt is grof en scherp, maar met een heerlijke vette grip.

Mijn tweede achterband begint, mede door het heerlijke bochtenwerk, ook al een flinke slijtage te vertonen. Dit zal waarschijnlijk wel komen doordat het eigenlijk een voorband is. Pieters banden zijn nog steeds redelijk, hij heeft al een dikke 7000 kilometer op hetzelfde setje gereden. Onze rijstijl is nagenoeg hetzelfde, dus dit is de ultieme vergelijkingstest. Kennelijk hebben de Bridgestones een veel langere levensduur dan mijn Metzelers. Ach, het is niet anders.

Bij vele spannende bochten staan netjes waarschuwingsborden, maar niet bij allemaal, lekker consequent. Op de borden kunnen we dus niet vertrouwen. Het blijft oppassen geblazen. Elke rijbaan is als het ware in drieën verdeeld. Het zware vrachtverkeer heeft diepe sporen achtergelaten in het asfalt. Maar tussen de beide sporen in zitten vaak diepe krassen van de sneeuwschuivers. Het lijkt net of de weg gefreesd is. Als je hier met de motor overheen rijdt, dwarrelt het hele zaakje heen en weer. In het begin was dit vervelend, maar nu ik er aan gewend ben, voelt het eigenlijk wel lekker, dat gewiebel. ‘Go with the flow', zou Ronald Reagan wel eens gezegd kunnen hebben.

We proberen het uiterste zuidpuntje van Noorwegen te vinden, maar dat vindt Annie niet. Een irritant ding, bij tijd en wijle. We rijden maar door naar de haven.

In Kristiansand vinden we gelukkig zonder problemen de haven. Het is er opvallend rustig, geen goed teken. Van de kassameneer krijgen we te horen dat er nog maar één motorplaats is. Dit geldt voor de ‘snelboot' van vijf uur. Om elf uur 's avonds gaat de gewone veerboot, maar die doet er veel langer over. Wij willen graag op de snelle. De man zet ons op de wachtlijst. We mogen in rij twaalf gaan staan, de wachtrij. Brutaal als we zijn rijden we een rijtje auto's en campers voorbij en gaan lekker vooraan staan. Dat doen we altijd, dus waarom nou niet. Nu maar wachten. Het is half drie en de boot vertrekt pas om vijf uur. In rij twee staan een paar Duitsers, die een klein rondje Noorwegen hebben gedaan. Tot aan Bergen en dan weer terug. 's Nachts is een van de motoren, een glimmende metallic blauwe Honda Pan European met z'n zijstander door het asfalt gezakt. Zijn gigantische fiets donderde ondersteboven en bleef precies op z'n topkoffer en windscherm liggen. De kunststof ruit was helemaal dubbelgevouwen, zonder te knappen. Toch nog flink wat lakschade en het kleppendeksel kapot, sneu. Vloeibaar metaal (Wencon Plastic Steel) doet wonderen.

Pieter heeft niet zo veel zin in Duits, elke keer als Joachim oder Heinrich dichterbij komen, loopt hij weg. Ach, dit zijn gewoon gezellige mensen die ook in een rijtje staan te wachten, net als wij. Dus ik knoop regelmatig een gesprekje aan. Eigenlijk zijn onze oosterburen over het algemeen hele aardige mensen, er zitten natuurlijk altijd wel een paar eikels bij. Dat hou je altijd.

Waar ik, en Pieter ook denk ik, een gruwelijke hekel aanhebben is dat dogmatische perfectionisme. Als je iets niet volgens de regels doet, wordt je direct gecorrigeerd. En dat ‘sucks like hell'.

'Boot komt er aan'. Een gestroomlijnd cruiseschip, de Sylvia Ana, vaart statig de haven binnen.

Het uitladen van het schip duurt ongeveer een uur. Tegen half vijf komen de ‘inscheepjongens' het parkeerterrein oplopen. Gedoseerd worden de auto's naar de boot geleid. Ik ga een beetje opzichtig bij een van de jongens staan. 'Ticket, please', vraagt een jongen met wiebelvoet. 'We, my brother and me, are on a kind of waiting list', zeg ik. De jongen kijkt verwonderd op en vertelt ons dat er voor motoren helemaal geen wachtlijst bestaat. Mooi. Wij mogen zomaar in de lange file aansluiten en rijden de boot op.

Aan de achterzijde kom je binnen, je volgt gewoon de route en maakt een soort ommetje over het autodek. We rijden aan bakboord helemaal tot aan de boeg en dan langs stuurboord weer naar achter. Daar plakken we de fietsen netjes tegen de wand.

De spanbanden kunnen vernuftig in de bodem worden vastgemaakt, een mooi systeem en een mooie service. Alle wanden op dit dek zijn volledig bedekt met een dikke laag isolerende aluminiumfolie. Een beetje spacy, net zoals de rest van de boot. We lopen naar het zonnedek aan de achterzijde van het schip. Dit is de enige plaats waar je mag roken.. Een zware toet en we vertrekken. Langzaam maakt het schip zich los van de kade en we varen weg. Een zeilbootje heeft kennelijk nogal wat last van de hekgolf en stampt vervaarlijk op en neer. Eenmaal buitengaats begint het schip langzaam te versnellen tot de kruissnelheid van ongeveer 41 knopen, dat is meer dan 75 kilometer per uur.

Helaas ben ik vergeten een reispilletje te slikken, de boot begint al aardig te schommelen. Ik ben benieuwd of ik het droog hou. Ik hou me voor dat het alleen maar psychisch is, en verwen mezelf met twee broodjes worst en een halve pizza. Als ik dan toch moet kotsen, heb ik tenminste enige voorraad.

Een beetje waggelend lopen we weer naar het achterdek. Wow, dit ding gaat echt heel snel. De waterjets spuwen een enorme bult water onder het schip vandaan.

We lopen nog even naar de taxfree winkel. Doordat dit een Noors schip is, zijn de drankprijzen vergelijkbaar met Nederlandse winkels. Dit is dus taxfree, poeh. Ik koop nog een fles gin en een liter Baileys, heerlijk. Dit zijn tenminste literflessen. Rob, dáár kun je mee thuiskomen.

Na zo'n twee en een half uur lopen we de haven van Hirtshals binnen. 'Paaaaltje'.

Nu is het eerst gewoon verveeld doorrijden. Denemarken is ronduit saai na het prachtige Noorwegen. Het lijkt net of we weer door Groningen rijden. Overwegend vlak met uitgestrekte akkerbouw, tot aan de horizon. Langs de snelweg zien we de twee Spaanse Honda-stellen staan, die we afgelopen zondag op een terrasje hebben gezien. Vragend steek ik mijn duim op. Zij steken ook hun duim op, alles ok. Prima, het gas gaat er weer op.

In ?rhus vinden we de ‘City Sleep Inn', vlak bij de haven. Niet te duur, en dat kun je merken ook. Het doet haast een beetje Oost-Duits aan, klein en grauw. Ik denk dat dit vroeger de ?rhûsker-dåkløsen-øpvång was. Het 'bath' dat wij in onze kamer zouden moeten hebben is slechts een toilet met een sproeikop, schuin erboven. Waarschijnlijk moet je met je voeten in de pleepot gaan staan om een beetje het ‘badgevoel' te krijgen, ieuw.

Het is nog vroeg genoeg om in de stad een pilsje te gaan drinken. Buiten is het stikdruk. ?rhus is het startpunt voor de ‘Tall Boat Race'. Een oceaanrace voor ouderwetse zeilschepen. De stad is een verademing, mooi met een heuse kroegenstraat. Langs een gracht zien we een heleboel leuke cafeetjes met gezellige terrassen. We lopen eerst even door de straat maar kiezen dan toch voor het eerste terrasje. Pieter gaat aan het bier en ik duik in het genot wat Guinness heet. Het is best moeilijk bier drinken, want constant valt mijn mond open van de idioot prachtige deernen die voorbijlopen. Dit is werkelijk niet normaal, de een is nóg mooier dan de andere, allemaal lang en slank. Vele lopen in uitdagende avondkleding en zijn volledig opgemaakt. Hugh Hefner, of zoiets, zou een kwijlspoor trekken van wel 17 meter. Zelfs de mannen zijn mooi, goed gebouwd, net fotomodellen.

Ruim voordat we verzadigd zijn springt de tl-verlichting aan. Merde, de laatste ronde. Ik bestel nog snel 32 Guinness en net zo veel pilsjes maar die krijg ik niet, dom jaaah. Netjes, met twee bieren, loop ik het terras op.

Op, we lopen zo'n beetje de meute achterna. In een zijstraatje vinden we de ‘Casino-Bar', een haast Gronings café met rockmuziek uit de zeventiger jaren. Het lijkt wel de Café de Ster in de Peperstraat. We gaan aan een tafeltje zitten en bieren vrolijk verder. En dat bieren klapt erin. Ze hebben geen Guinness maar wel een ander bier wat haast zo smaakt, prima. Ja, daar kan ik ook wel tegen.

Twee Belgen komen lachend het kroegje binnen, een heeft een fototoestel in z'n hand. Ze lopen direct door naar de bar en praten wat met de barkeeper. Dan gaat de een op de bank staan met zijn gezicht voor een bierreclame. In het Deens heet bier: øl. Een heel raar woord. Met de meest gekke bekken spreken ze het woord øl uit, en dat komt dan weer op de foto. Elk bord waar het zotte woord opstaat wordt zo gefotografeerd. Rare jongens, die Belgen. De mannen hebben ontzettend veel lol, en straks een indrukwekkende fotoreportage over het idiote woord: øl.

Een paar lastige Denen komt bij ons aan het tafeltje zitten. Ze willen alleen maar bier van ons, sodemieter op. 'Piss off and get lost and something' helpt prima. Stelletje opvreters, tssss.

Ik weet niet waarom, maar plots gaat deze kroeg ook sluiten. Buiten ontmoeten we een stel Deense studenten, toffe lui. We laten ons, aangeschoten en wel, door de stad voeren, op zoek naar een andere kroeg. Alles is echter gesloten. Voor een café gaan we op de stoeprand zitten en blijven nog een tijdje ouwehoeren en vooral lollen.

Het is half zes als we naar het ‘hotel' terug zwalken. Morgen rijden we naar huis, eerst slaaaaaaap'n.

Grmmmmmlfffffff

Do 5 juli 2007

Het is veel te vroeg als we worden gewekt door twee warmdraaiende strontHarleys. ‘Loud pipes save lifes', flikker op. Ik schreeuw door het raam naar beneden. Even later rijden de beide showbakken weg, verder slaaaaap'n.

We moeten voor half elf aan het ontbijt zitten. Óók veel te vroeg. Ik heb een flinke hoofdpijn, dit wordt een lekker dagje, urgh. Het ontbijt stelt bijzonder weinig voor, maar er is verse koffie en verse jus. Eigenlijk wel genoeg.

De motoren worden opgepakt voor de laatste rit, 600 kilometertjes en we zijn thuis, eitje. We raken even verstrikt in de smalle weggetjes van ?rhus maar uiteindelijk kunnen we verder.

De smalle haarspeldbochten van eerder zijn nu verruild voor brede vierbaanse wegen. Getver. De Denen vinden de linkerbaan veel leuker dan de rechter, want ze blijven heel erg lang links rijden, rare jongens die Denen.

Vlak voor Flensburg rijden we de Duitse grens over. Het wordt langzamerhand een heksenketel op de weg. Twintig kilometer voor Hamburg belanden we in een file, feest. Voorzichtig rijden we tussen de eindeloze rij auto's door. Er zijn gelukkig geen gefrustreerde automobilisten die, nét voor je ineens een deur opengooien. Of die je plotseling uit pure frustratie de weg afsnijden. Het moet ook wel erg lullig zijn als je net achteraan in de file staat met je Porsche Carrera, of je spiksplinternieuwe sportMercedes en een paar ouwe BMWtjes ploepen er zo tussendoor.

In de Elbetunnel is het helemaal feest. Hier is haast geen ventilatie en de stilstaande auto's veroorzaken een scherpe stinkende mist. We moeten hier heel snel uit, we gaan haast dood. Een gigantische BMW R1200GS durft door zijn immense aluminium zijkoffers niet tussen de auto's door, weg met dat ding. Ik ga even een stukje achteruit en rij dwars door de rij naar een andere baan, gaaaaan. De file duurt maar voort, haast tot voorbij Hamburg. Ik denk dat deze file meer dan dertig kilometer lang is, wat een ellende.

Na Hamburg kunnen we weer tempo maken. Thuis trekt. Het is nog steeds flink druk op de snelweg. De Mercedessen en Audi's knallen ons voorbij. Je moet hier verdomd goed oppassen. Onze motoren lijken haast te verzuipen tussen al het voorbijrazende blik.

Pieter rijdt voorop op de rechterbaan, ik rij schuin achter hem. Rechts naast me rijdt een grote militaire truck met oplegger. Hij raast met een noodgang op Pieter af, ik schreeuw, toeter en knipper verwoed met mijn groot licht. Ik zie de chauffeur weer vooruit kijken; hij schrikt zich de pleuris. De legergroene combinatie duikt vol in de remmen. Dat scheelde maar een haartje. Hard vloekend en wild gebarend knal ik de vrachtauto voorbij. De chauffeur zat gewoon lekker te kletsen met z'n bijrijder, stomme Duitse rotlul. Bijna mijn broer naar de kloten rijden omdat je je werk niet doet, eikel. Ik ben werkelijk pisheet. De soldaat kijkt me schaapachtig aan, verder geen reactie, eikel. Rij je bijna 8000 kilometer, zonder iets, wordt je in Duitsland tot moes gejaagd door een paar onoplettende kutsoldaten. Idioot. Pieter heeft van het hele gebeuren niets meegekregen. Gelukkig is het goed afgelopen.

Zonder problemen tuffen we verder door naar de Nederlandse grens. Net over de grens, bij Nieuweschans bel ik naar huis dat we er zo aankomen.Nina zal met Niek en Henk naar deBerkenlaan gaan. Wanneer we weer opstappen breekt mijn koppelingskabel, kut. Op de een of andere manier heeft mijn fiets een gloeiende hekel aan Nederland. Ik heb wel een reservekabel bij me, maar daar heb ik nu geen zin in. Wij willen naar huis.

Ik zet de motor in de één en start, hortend en stotend rij ik weg. Voorzichtig lukt het me om zonder lawaai op te schakelen naar de vier. Gelukkig hebben we bijna alle stoplichten mee, en na een dik half uur komen we luid toeterend bij de Eikenlaan aan. Heerlijk, thuis.

Henk is het eerste bij me. Wild springt hij om me heen, gekke hond. We worden superheerlijk binnengehaald, tof. Ik knuffel mijn knuffels haast tot pulp. Mijn hemel, ik heb jullie toch wel vreselijk gemist, merk ik nu.

We blijven nog een paar uurtjes bijHillary zitten vertellen. De souvenirs worden uitgepakt.

Ik ben moe. Ik wil eigenlijk wel écht naar huis. Dit wordt de eerste nacht zonder Pieter. Vier weken lang mijn vriend, steun en toeverlaat. Vier weken genieten, lol, plezier, ouwehoeren, praten, lachen, zingen, joelen, rijden, drinken, roken. Vier weken van de wereld. Ik ben apetrots op ons thuisfront, dat ons heeft gestimuleerd om deze reis te kunnen maken, de schatten. Dank je heel erg veel wel, laiverds.

En dan.....: de slopende desillusie. Ik moet lopend naar huis. We kunnen de motor nog niet kwijt. Door de verbouwing voor onze Jos, ligt de hele tuin overhoop. Ik kan zelfs niet met de fiets op het pad komen, sterker nog: er is zelfs geen pad meer. Achtduizend kilometer in, krap aan vier weken gestuurd en dan ineens de laatste 800 meter lopen, merde. Maar wel lekker met z'n drietjes en Henk.

Nog even een borrel en dan slapen. In mijn eigen, net verschoonde heerlijke bedje. Met gemotoriseerde bodemverstelling en langsgespannen spiraalmatras.

Én met mijn Nina, mijn allerliefste schat.

SLAAP ZACHT.

weer veilig thuis, over een paar jaar gaan we op de fiets naar Murmansk. Ook een leuk ritje lijkt me.

Reacties

{{ reactie.poster_name }}

Reageer

Laat een reactie achter!

De volgende fout is opgetreden
  • {{ error }}
{{ reactieForm.errorMessage }}
Je reactie is opgeslagen!