Fietsbel-Biesje.reismee.nl

Noordkaap 2007, deel 3

Vr 22 juni 2007

Vandaag willen we naar ?. Dit kleine vissersplaatsje ligt helemaal op het uiterste zuidpuntje van de Lofoten. Dit belooft een machtige rit te worden, en voorwaar!

Eerst maar even tanken en eten in Sortland. Nadat ik mijn fiets heb afgesteld loopt hij ineens 1:18,5 in plaats van 1:14, prima.

We nemen de nieuwe weg via Strand en Austpollen naar het oosten. Ik had ergens gelezen dat deze in mei 2007 klaar zou zijn. We rijden door prachtige dalen langs schitterende bergen. Bij een maf bonsai meertje stoppen we even om op de kaart te kijken. Het meertje is eigenlijk meer een grote vijver met op een eilandje schitterende miniatuur sparren staan, prachtig. Dit zou prima in een Japanse tuin passen.

Een snelle bandencheck laat zien dat mijn Metzelertje al flink slijt. Dit is nu ‘dual compound', een harder middenstuk ten opzichte van de ‘wangen'. Tjonge, dat werkt prima zeg, maar niet heus. Blijkbaar heeft Pieter een betere bandenkeus gemaakt.

Het blijkt dat we veel te ver zijn doorgereden. Kennelijk hebben we de afslag naar de nieuwe weg gemist. Dat wordt weer terugrijden, een andere route is geen optie. Na een klein uurtje rijden zijn we weer terug in Sortland. We moeten toch de veerboot nemen van Melbu op de Vesterålen naar Fiskebøl op de Lofoten, ‘tis nait aans.

Als we bij de haven van Melbu aankomen zetten we de fietsen naast een glimmende Honda Goldwing met ‘ne stoere biker. Met een voet nonchalant op de buddy zit hij relaxed op zijn fiets te luisteren naar zijn telefoon. Ik hoor de Red Hot Chili Peppers. Ha tof. Maar snel kiest de bikker een andere zender op zijn telefoon. De man zoekt naar......... Michael Jackson hihi... Het metaalachtige geluid klinkt net zo vervelend als een te luide walkman in de trein. Pas als we bijna op de Lofoten zijn is z'n batterij eindelijk leeg.

De overtocht duurt een dik half uur. In Fiskebøl eerst maar een paaltje zoeken, 'paaaaaaltje'.

De rit over de Lofoten is in een woord waanzinnig. Naast de ooooohs en aaaaahs is nu oempf ook een zeer toepasselijke uitdrukking.

We zijn nog nooit zo vaak gestopt onderweg. Hoe verder we naar het zuiden rijden, hoe mooier het wordt. Zo'n twintig minuten na Grønstad (Noors voor Groningen, denk ik) stoppen we aan een baai. Een waar rustpunt tussen de bloemen, mmmm. Het loopt al aardig tegen zessen en we moeten waarschijnlijk nog zo'n 2 ½ uur rijden voordat we in ? aankomen; opstappen dus.

Onderweg stoppen we bovenop een soort bergpas tussen twee fjorden. Een kriebelig wandelpaadje slingert naar boven. Wat een schitterend uitzicht. De beide schapen die me boven verbaasd aankijken hebben er waarschijnlijk geen benul van hoe mooi het hier is, domme beesten.

We rijden weer verder tot Hamnøy. Het is al acht uur en de trek trekt ons naar een klein pittoresk restaurantje aan de haven.

In het dorpje staan allemaal grote houten stellages met duizenden stokvissen.

Stokvis is dooie kabeljauw. Ontdaan van kop en ingewanden wordt de vis aan stokken opgehangen, vandaar 'stokvis'. Doordat de huid van de vis waterdicht is, droogt de vis zelfs als het regent. Na ongeveer drie maanden in de schone droge poollucht wordt de vis zo hard als tuigleer. Omdat er nog maar zo'n 20% vocht in de vis blijft, is de vis welhaast een jaar houdbaar. De Vikingen, zo'n duizend jaar geleden, maakten ook al stokvis. Tijdens hun lange ontdekkingsreizen zorgden ze ervoor dat zelfs in Canada al stokvis werd bereid, hoezo Columbus de eerste, ha, Portugese flapdrol.

De menukaart van het authentieke restaurant wordt ontsierd door gerechten met walvisvlees. Alleen vanwege het feit dat dit de enige eetgelegenheid in de omgeving is, besluiten we toch maar te blijven zitten. De Noren nemen het niet zo nauw met de walvisvangst, de eikels. Pieter en ik bestellen allebei fishcakes met aardappelen en worteltjes. Mét een kan water. Honger maakt rauwe bonen zoet.

Voldaan rijden we verder naar ?. Hier moet volgens de reisgids van Lonely Planet een schitterende camping zijn. Onderweg komen we langs Reine, een prachtig vissersplaatsje, verdeeld over een paar eilandjes aan de oostkust van de Lofoten.

In de zeventiger jaren werd Reine verkozen als mooiste plaats van Noorwegen. Het feeërieke dorpje met z'n markante rode houten huisjes spiegelt zich naadloos in het kristalheldere en spiegelgladde water van het haventje. De lage avondzon en de fraaie wolken maken het plaatje compleet. Dit is ongelooflijk, zo mooi. Dit soort plaatjes kom je alleen maar tegen in luxe toeristenglossy's voor de beter gesitueerden onder ons.

En nu staan wij hier, met z'n tweetjes op onze ouwe trouwe fietsjes, wow. We hebben ontzettend veel mazzel met dit prachtige weer en nemen dan ook alle tijd om de meest prachtige plaatjes te schieten.

Tegen tienen rijden we ? binnen. Het is even zoeken naar de sjemping, maar toch weten we het redelijk snel te vinden. We rijden een parkeerplaatsje op met aan de zijkant een laag houten gebouwtje, de receptie. Gelukkig hebben ze nog twee tentplaatsjes vrij. De fietsen moeten we echter beneden laten staan, boven mag je alleen maar parkeren als je een hutje hebt gehuurd. Met de gratie God's mogen we wel even tot het eerste niveau rijden om de motoren af te laden, tjonge! En dat valt nog niet mee. Er loopt vanaf de parkeerplaats een steil pad met losse stenen naar het tweede parkeerplaatsje. ‘Gang' is alles en slippend en stuiterend weten we de tweewielers heelhuids boven te krijgen. Vervelend rijden zo, als het voorwiel meer in de lucht lijkt te hangen dan op het pad.

In een hoekje staat een oud Puch'je onder een oranje dekzeil. We zetten onze fietsen ernaast en gaan eerst even op zoek naar een mooi tentplekje. Daarvoor moeten we nog zo'n tien meer omhoog klimmen, maar dan heb je ook wat. Tussen de gladgeschuurde rotsen staan een aantal donkerrode huisjes (rorbuer) met daartussen prachtige grasveldjes waar je de tent kunt opzetten. We zitten hier op een plateau, strak aan de rotsige oostkust, zo'n twintig meter boven de zee. Het uitzicht is prachtig, in de verte zien we, op een kleine 90 kilometer, de ruwe fjordenkust van de vaste wal.

Ik heb al twee mooie plekjes gereserveerd en snel halen we de spullen van de motoren. We laten de beide fietsen gewoon naast het Puch'je staan; hier staan ze niemand in de weg en ze moeten ook niet zeuren, die rare walviskillers. Het is best een hele toer om alle bagage naar de tenten te krijgen. Naast ons staan een paar hele stoere trekkerstentjes voor gevorderden, zo van: minimale windkracht 9 ½ Bft bij -15 C°. Onze luxe reisverblijven staan in no time te pronken tussen de gevlekte orchissen. De veenbodem is heerlijk zacht en verend, je hebt haast geen slaapmatje nodig. Dat wordt straks lekker knorren.

Vlakbij onze tenten is een prachtige gladde rots met een kek uitzicht. Hier gaan we ons maar eens lekker installeren voor de rest van de avond/nacht. De whiskey is helaas op, dus moeten we maar aan de gin-tonic, wat een straf. Het stikt hier van de B52-muggen, joekels. Gelukkig werkt de DEET prima, dus is het alleen maar een beetje vervelend.

Als we een tijdje zitten komt een jongen op ons toegelopen. Het is onze buurman, qua tent én qua fiets. Deze Zwitser kan wel een broertje zijn van Michiel Kars; in z'n hele doen en laten. Hij is helemaal vanuit Zwitserland, vlakbij Liechtenstein, op zijn oude Puch'je tot hier gereden. Trots vertelt hij dat hij soms wel 150 km op een dag afgelegd heeft, en dat met maar twee versnellingen en verstoken van alle luxe, wat een bikkel.

Tot een uur of een blijven we gezellig zitten kletsen. Het wordt tijd om te gaan slapen, pfffff. Wéér mislukt want eerst gaan we nog even een klein wandelingetje maken naar het eind van het klif waar we op staan. De hele camping bevindt zich op een redelijk vlakke, lage klif met tussen de rotsen schitterende kampeerplekjes met mals gras. Aan het einde van de camping gaan we nog even zitten. Het is hier heerlijk. Dit is pas echt terug naar de natuur, mét gin-tonic en sjek natuurlijk. Dit valt eigenlijk met geen pen te beschrijven; met open mond zitten we alles in ons op te nemen. Tegen tweeën begint het zachtjes te regenen. We lopen terug naar de tent, lekker slaap'n.

Slaap fijn.

Za 23 juni 2007

Voor de zoveelste keer gaan mijn oogjes open. Het is al half twaalf. We hebben gisteravond al besloten dat we gewoon nog een dagje langer in dit prachtige paradijsje blijven. Het is hier zo heerlijk en we willen vanavond de hele avond, van alle gemakken voorzien, ons heerlijk installeren op dat fenomenale plekje van afgelopen vannacht. Liefst zonder de vriendelijke Zwitser.

We ontbijten in de haven van Moskenes bij een lunchroom. Twee behoorlijk aantrekkelijke meiskes nemen de bestelling op. De eigenaar komt lachend te hulp. Speciaal voor ons maakt hij een pracht van een maaltijd, met alles erop en eraan, heerlijk.

Vandaag willen we naar Sund, zo'n tien kilometer rijden. Hier moet een mooi scheepsmotor-museum zijn met draaiende motoren, klasse.

Wanneer we de parkeerplaats oprijden horen we al een paar traag dreunende motoren; je kunt de slagen tellen. Dit klinkt bijna net zo mooi als mijn fiets, bijna! In een oude smidse is een jonge smid druk bezig met een aalscholver van een oud stuk betonstaal te maken. In de schemerige smidse staan een paar oude smeedhamers. Met een druk op de knop komt een van de machines met een donderend geweld tot leven. Met een roestige lastang houdt de smid het stuk roodgloeiend staal onder de dreunende hamer. Wat een herrie. Al snel begint de staaf de vorm van een aalscholver te krijgen, geweldig.

Tijdens het werk praat de vriendelijke man honderduit. Pieter koopt een schitterend beeldje voor thuis. In het museum liggen ook nog een paar artefacts van de Tirpitz; een Duits slagschip dat in 1944 door Engelse vliegtuigen naar de kelder werd gejaagd. 1200 Mensen kwamen hierbij om het leven, wat een waanzin!

Op de een of andere manier heeft het museum beslag kunnen leggen op een stuk ankerketting en een grote stalen kogel van het kogellager onder een van de geschutskoepels van de Tirpitz. Waarschijnlijk zijn deze delen opgeschept door de sleepnetten van een vissersboot.

Even ten noorden van Sund hebben we een schitterende weg gezien over verschillende eilandjes. De eilandjes worden door slanke boogbruggen met elkaar verbonden. Op Internet heb ik al een aantal schitterende foto's gevonden, maar die waren allemaal van boven genomen. En wij rijden hier beneden. We rijden over de bruggen naar de andere kant en hopen vanaf daar naar boven te rijden. Jammer maar helaas, dat wordt wandelen, en dat vinden wij nu even niet fijn, dus dan maar niet. We zijn tenslotte met de motor op reis en niet met wandelschoenen, ja!

Eigenlijk komt dit wel goed uit want we moeten nog een grote boodschap doen voor de avond én het ontbijt. In de Reiner-super kopen we broodjes, kaas, ham, chocolademelk, echte Lofotense garnalen en bier, heuse Guinness, jaja. Alle schootbapjes worden in mijn mooie rooie Viking Line rugzak gestouwd en half steigerend rijden we even naar het ‘centrum' van Reine. Op een pleintje vinden we een soort snackbar en een viskraam. Aangezien we vanmorgen/-middag fors ontbeten hebben met eieren, worst, aardappelen, brood en bergen sla, hoeven we eigenlijk alleen maar aan het avondeten te denken. De boodschapjes zijn voor straks, in het paradijsje. Bij de viszaak kopen we een overheerlijk broodje vers gerookte zalm, en bij de snacker een broodje worst. Je moet tenslotte blijven proberen om alles in balans te houden: bier en chocolademelk, vleesch en visch, niet wandelen en motorrijden, alles mooi in balans, Yin en Yang.

Wanneer we weer terug rijden beseffen we hoe veel mazzel we gehad hebben met het weer van gisteren. Het is nu dichtbewolkt en winderig. De mooie spiegelplaatjes over de haven zijn er niet meer; het water is te gerimpeld en het licht is grijs. Jammer voor de buslading toeristen die op het parkeerplaatsje zijn neergestreken.

Tegen zevenen zijn we weer terug bij de camping. De ontbijtspulletjes leg ik in de tent en de avondgeneugtes gaan weer in de tas. Bepakt en bezakt lopen we weer naar de zuidrand van de camping.

Een paar meter onder de rand vinden we een mooie brede richel waar we heerlijk kunnen zitten. Met mijn heerlijke motorzitje onder de bippen is het prima toeven. Zo, en nu maar heel hard genieten. Dit kon wel eens het mooiste plekje op aarde zijn; vijfentwintig meter boven een honderden meters diepe fjord. Kleine stormmeeuwtjes vliegen af en aan. Eentje komt heel dicht bij m'n voeten zitten, wellicht ietwat levensmoe.

We hebben ze meer dan zat te voeren: verse garnalen, tijgernootjes, cashewnoten en stukjes vieze worst van ‘original Norwegian kjøt', varkensvlees dus. Het is geven en nemen, dus weg met die ingedarmde bagger. De meeuwtjes gaan ervoor, zij nemen het wel.

Na een paar laatste uren genieten, moeten we met pijn in ons hart afscheid nemen van de laatste slok gin. Het is op. Drie liter gebotteld genot......, weg......, gewoon ordinair uitgeplast. Ik schrijf een brief in het Engels voor in de lege fles. (Milieukritisch stuitert dit ons wat tegen de borst, maar een enkele keer mag je toch wel een beetje ondeugend zijn). 'Dat de gelukkige vinder zich maar net zo gelukkig mag voelen, als wij hier op de Lofoten in het wondermooie ?.' Ik schrijf heel kort iets over onze reis en na nog een allerlaatste druppel, gaat de brief in de fles. Met een wijde boog gooi ik de fles zo ver mogelijk in de zee. Je weet maar nooit, het is net een loterij.

Helaas kunnen we niet naar de Moskenesstraumen die in de Lonely Planet staat beschreven. Deze bevindt zich, niet zoals het boek beweert, vlak achter de camping, maar op zo'n acht kilometer verder naar het zuiden. Deze maalstroom schijnt een van de grootste en meest gevaarlijke maalstromen ter wereld te zijn. Jules Verne heeft een deel van zijn boek ‘100.000 mijl watertrappelen' gebaseerd op deze stroomversnelling. Meer dan 2000 jaar geleden schreef de Griekse wijsgeer Pytheas al over deze maalstroom. Ook Edgar Allen Poe heeft deze zee-engte in een van zijn boeken beschreven. En nu ik ook dus, ha. Eigenlijk kan ik me nu dus scharen onder de grote schrijvers en wijsgeren op deze aardkloot.

Omdat we morgen toch echt de boot moeten hebben naar de vaste wal, kunnen we het niet zo heel erg laat maken. Tegen enen begint het licht te regenen, een mooie tijd om ter sponde te gaan. Het zou helemaal mooi zijn als ik nu ook nog kan slapen.

Welterusten.

Zo 24 juni 2007

's Nachts word ik zo nu en dan nog even wakker van de regen. Het regent gelukkig niet zo hard, maar het maakt wel veel lawaai. Kwart voor acht word ik echt wakker. Ik begin maar vast met inpakken. Over een kwartiertje gaat mijn wekker. Ik krijg opeens erg veel drang om grote bah te doen. Hup, kleertjes weer aan en naar beneden klauteren.

Terwijl ik lekker zit op de veel te koude bril, hoor ik de deur opengaan. Luid stommelend hoor ik iemand binnen komen. Wat een gezucht en gesteun. Niets weerhoudt mij nu nog om lekker ongegeneerd te hompen, ik hoef nu beslist niet zachtjes te doen, ha. Als ik de wasruimte instap zie ik een grote, veel te zware mongoloïde jongen van een jaar of twintig in een lange geruite boxershort staan. Hij kijkt me door zijn dikke brillenglazen verrast aan. Een streepje tandpasta loopt uit zijn mondhoek. 'Heihei' groet ik de jongen en hij mompelt wat met volle mond terug. Wat een prachtig beeld.

Ik schuifel achter hem langs. Mijn tanden ga ik wel even in de keuken poetsen, want hier is maar één wastafel. In de keuken zit een Belgisch stel te ontbijten. Echte out-door bikkels; lang, slank met een getaande bruine huid. De vrouw heeft kort zwart haar en een zeer pezig figuur. De man net zo kortgeknipt, met een stoere Marlboro baard en een nét iets te modieuze Jamaï-bril. Ik herken ze omdat ze naast ons hun uiterst sportieve trekkerstentje hebben staan, al lijkt het meer op een boterhamzakje. Het meest vreemde is wel dat ze met hun tweetjes maar één fiets hebben. Achter de fiets hebben ze een klein soort paardenkarretje, zo eentje waar de Romeinse gladiatoren op reden. Ik denk dat de vrouw dan voorop zit, en de man achter in het karretje staat met een zweep van carbon ofzo. 'Alors vrouwe, pedaleren met die beentjes zunne. Rapper...., nóg rapper, anders zijn de patatten gaar'. Sneu.

Als ik weer naar buiten loop hoor ik de jongen uit de wasruimte zijn vader roepen, met die typische tongval, heerlijk. De vader blijkt de timmerman te zijn die aan een uitbouwtje van ‘n rorbuer werkt, zelfs nu, op zondag. Terwijl ik de berg oploop kijk ik nog even achterom. Beneden zie ik de te dikke jongen over de parkeerplaats rennen, de tandpasta nog steeds op zijn kin. Ik vind dit echt heerlijk om te zien.

Snel pakken we de hele boel bij elkaar en staan om kwart voor tien kant en klaar, lekker vooraan in de rij voor de veerboot. Het is altijd een beetje oppassen als je met natte banden een veerboot oprijdt. Het dek kan verraderlijk glad zijn, voor ons natuurlijk een eitje, ha. Een oudere Duitser vertelt me dat ik de motor schuin moet zetten. 'Nein' zeg ik. 'Die Matrosen aber haben gesagt das alle Motorräder......', begint hij weer. 'Nein!', zeg ik. 'Mpffff....' is zijn laatste commentaar. Waar bemoeien ze zich verdorie mee, stelletje gedogmatiseerde puriteinen, bah.

We trekken de fietsen met een paar sjorbanden vast tegen de wand, klaar.

Als we naar boven lopen zit de bemoeizuchtige man nog steeds met zijn RS te kloten, doekjes tussen de spanbanden en motor en meer van dat pietluttig gezeur. Je zou je toch haast gaan schamen dat je zelf ook een BMW hebt.

Bovenop het dek staan een paar witte tuinstoelen waar we de hele vier uur durende tocht zullen blijven zitten, denk ik. Nu komt het ontbijt van pas dat we gistermiddag hebben gekocht, heerlijk. Alleen de zachtgekookte eitjes missen nog. Voorzichtig probeert de zon door de bewokkeling te breken. Langzaam zien we de Lofoten kleiner en kleiner worden. Weer een grote etappe afgelopen, merde. We zijn nu echt op de terugweg, merde.

Na een half uurtje varen zien we in de verte steeds weer zwarte halfronde schaduwen omhoog komen uit het water, vloeiend duiken de schaduwen weer onder. 'Te klein voor walvissen en weer te groot voor dolfijnen. 'Orka's'. Verbluft blijven we kijken totdat ze verdwijnen. Even later zien we er nog een paar op zo'n 200 meter van de boot, waanzinnig, geweldig! 'Wolven van de zee' zegt Pieter.

We blijven de hele verdere tocht turen naar walvissen maar helaas. Wel loopt er een hoogst irritante opdringerige vrouw om ons heen. 'Do you speak English', vraagt ze. 'Nee hoor, alleen gewoon Nederlands'. ‘Krijgen we vervolgens een heel referaat, in het Nederlands, te horen hoe ziek ze wel niet geweest is, en dat ze zonder het te beseffen in haar eigen pantoffels had geplast. 'NEE..., DIT WIL IK NIET'. Ze blijft maar lullen en zeuren over een paar Spaanse reizigers die kennelijk de weg in Noorwegen niet kennen enzovoorts, enzovoorts. Ik zeg dat Pieter wel een paar woordjes Spaans spreekt. Stom van me, zal later blijken. Gelukkig loopt het mens weer verder. Ik voel weer een opmerkelijke behoefte aan slaapjes doen opkomen en weldra zijn mijn oogjes gesloten. Plotseling weer die enge felle snerpstem; 'zijn ze al geweest?' Ik stuiter half uit m'n stoel, 'wie?'. 'Nou, die Spanjaarden. Ik heb ze gezegd dat ze maar even naar jullie moeten lopen omdat hij Spaans spreekt'. Ze kijkt naar Pieter. Wat een kutwijf, zeg. 'Kijk' zegt ze, 'lusten jullie misschien een dropje? Dat hebben jullie vast lang niet meer gehad, zeker'. 'Nee dank je, ik snoep niet meer'. Ik begin me ál meer aan het opdringerige nest te ergeren. Wanneer ze wéér over de Spanjaarden begint, pak ik m'n stoel demonstratief op en ga een paar meter verder zitten. 'Sorry hoor', zeg ik tegen haar. 'hier heb ik geen zin in. Ik ga niet mijn vakantie besteden aan mensen die zonodig ergens naar toe gestuurd worden, terwijl ze dat helemaal niet willen'. Dit bleek al eerder; de Spaanse toeristen waren eigenlijk alleen maar geïnteresseerd in de omgeving van Bodø. Ze hoefden helemaal niet naar de Saltstraumen. Wat een kutwijf!

Wanneer ik een paar meter verderop zit, hoor ik haar tegen Pieter kwetteren. Haar man heeft medicijnen en die wil hij niet innemen. Hij heeft nu speekselstenen......., én kanker. De man naast haar zit een beetje verveeld in de verte te staren. 'Schiet op vent. Doe wat. Zeg wat. Stap in je Kipcaravanetje met hemelblauwe accubak en rij verder dan de Noordkaap, gaat weg! Mep haar de plomp in!'. Niet echt natuurlijk, ze mag ook met haar jarretel aan een of ander patrijspoortje blijven hangen. Wat een kutwijf.

Helaas zien we geen walvissen meer of iets dergelijks. We lopen de havenstad Bodø binnen. Eerst het rituele sjekkie aan de haven, 'paaaaaltje'. Dan tanken.

De motor loopt heerlijk zuinig. Ik let erop dat ik in de bergen wat meer gebruik maak van het hoge koppel en wat minder hoog in de toeren rij. Ze vindt het heerlijk; met een diepe brom komt ze soepeltjes op snelheid, mmmmm. Het hele haventerrein ruikt sterk naar hyacinten, maf. Eigenlijk verwacht je gewoon dat een haven naar haven ruikt, niet naar bloemetjes.

Vandaag rijden we tot aan de Saltstraumen, of een camping vlakbij. In de ‘achtertuin' van een paar rorbuer mogen we de tentjes opzetten, prima plekje, lekker vlak.

Het is hier wel vreselijk netjes, mooie strakke grasveldjes achter een kek hekje, ieeeuuuw. Een hele verandering ten opzichte van gisteren. Geef mij maar de ruige camping in ?.

De tentjes staan er weer pico bij als we weer op de motor stappen om bij het Saltstraumen-informatiecentrum wat te gaan drinken. Heerlijke broodjes met lachende garnaaltjes roepen mij toe, ok.

We rijden weer naar Bodø terug. Volgens de Lonely Planet heeft deze havenstad de grootste kolonie zeearenden ter wereld. Boven op een heuvel aan de rand van de stad is een immens infocentrum gebouwd, waarschijnlijk speciaal voor deze majestueuze vogels. Helaas is alles nog gesloten. Dus gaan we maar op een bankje zitten, met een schitterend uitzicht over de stad. Het is prachtig weer.

De enige vogels die we zien zijn een paar meeuwen en wat vliegtuigen. Van de arenden ontbreekt elk spoor. Tssss.

Maar weer terug naar de stad. Ik moet nog een nieuwe achterband hebben. Volgens Annie zit motorzaak ‘Helala' het dichtst in de buurt. Eigenlijk is het meer een supermarkt voor het buitenleven dan een motorzaak. Niet zo raar dus dat ze mijn maatje achterband niet hebben, ok.

Oeps, trek. Bij een Chinees restaurant nemen we de nassi. Het is een echte oer-Hollandse Chinees, echter zonder muziek. En dat is best wel maf. Het eten is gewoon lekker, niets speciaals.

Het wordt tijd om naar de Saltstraumen te gaan. Volgens de Bodøër Almanak komt spoedig de vloed op, en dat geeft het mooiste resultaat qua draaikolken enzo.

We rijden naar een parkeerplaatsje aan de rand van het water. Een hele kudde vissers staat naast elkaar zoveel mogelijk vissen uit het water te hengelen. Sommige trekken bij elke worp wel eentje uit het kolkende water, het meeste sei (koolvis). We raken aan de praat met een Noorse leraar. Hij is samen met z'n zoon speciaal hier naar toe gereisd om te vissen. Bijna alle vissen die hij vangt worden voorzichtig weer terug in het water gezet. Sommige mensen hebben gelukkig nog respect voor dieren. Anders is zijn buurman. Deze man gooit z'n haak wel zestig meter de kolkende maalstroom in. De vissen die hij vangt knijpt hij gewoon dood, wow, wat een held. Sommige vissen die in doodsangst uit de emmer springen worden achteloos platgetrapt, wat een held. Ruw wordt de vis in een emmer gesmeten, sommige leven nog steeds, wat een held.

‘Onze' visser vindt dit maar vreselijk. Zelfs de walvisvangst van zijn landgenoten vindt hij verschrikkelijk, toppie. Na een zwierige worp haalt hij snel zijn haak binnen. Er hangt weer een grote koolvis aan. 'This will be a lovely filet', zegt hij. Met een staaf mept hij de vis in één klap naar het hiernamaals. Vaardig wordt het dier volledig gefileerd. 'Would you like some fish' vraagt hij terwijl Pieter zijn hengel vasthoudt. Jaaaa, Pieter, onze maritiem bioloog, oooooh. 'Uh, no thanks. Unfortunatly we can't cook the fish properly, but thank you very much for the offer'. Pieter is een dierenbeul, een fisherlover, dûh.

Vlak bij de camping is een grote ‘Joker' supermarkt die gelukkig nog steeds open is. Eigenlijk ben ik zwaar tegen de 24 uurs economie, en dus ook tegen winkelen op zondag. Je mag eens in de week toch wel een dag hebben dat je géén bedrijvigheid hoort en ziet, gewoon een dag rust. Even weer met beide benen in de wereld door wat tijd te nemen om eens te mijmeren over alles en nogwat. Zondag moet een ‘bewustzijn dag' worden, lijkt me.

Nu komt het ons echter best wel een beetje goed uit; we zijn tenslotte bijna door het bier heen en dat is best sneu. Een beetje verborgen achter een slordig gedrapeerde ‘Coca Cola-vlag' schemert een goedgevulde koelvitrine. Allemaal bier, mwah. We pakken vier blikjes en lopen met onze vangst naar de kassa. 'Sorry, no beer on Sunday' zegt de caissière met een duidelijke bestraffende ondertoon. Pieter en ik barsten beide in lachen uit. 'And if we stay here ‘till midnight, than it's allowed off course?', vraagt Pieter. 'Then we are closed'. 'This is Norway' zegt een lachende vrouw in de rij achter ons. Gelukkig hebben we bij de tent nog een paar blikjes. Haast gefrustreerd over al dit soort belachelijke regels hier in Noorwegen rijden we weer de camping op.

De motorzitjes gaan op het gras. Lekker zitten, kletsen en schrijven.

Nina zit nu, samen met Niek, Klasina en een paar vrienden van Niek bij een concert van de Red Hot Chili Peppers in Arnhem, vet. Ze heeft me al verscheidende keren gebeld om mij te laten meeluisteren, live, tof. Sta je in de volle zon, boven in Noorwegen naar een live concert van de Chilies te luisteren, helemaal in Arnhem, wow. Zo te horen hebben ze veel plezier daar.

Pieter ligt al in de tent, het is ook al laat. Ik blijf nog even schrijven. We hebben een paar dikke ronde balken neergelegd waar we op kunnen zitten. Pieter wil een complete tuinbank/-tafel versjouwen, die pontificaal midden op de camping staat. Volgens mij hoort deze inderdaad op het middenveld en niet hier. Pieter mag hem zelluf verslepen, maar dat durft/kan hij vast niet, ha. Ik moet echter wel zeggen dat de houten balk nu ook niet zo lekker zit, zal ik hem dan toch maar even meehelpen? Nee, het wordt tijd om te gaan slaapjes doen. Eerst lekker douchen, met wel vier verschillende zeepjes en shampoo, zelfs haarconditioner. Spik en span duik ik m'n tentje in.

Hmmmmpffff, ‘truste.

Tegen drieën schrik ik wakker van een sms-je, de felle nachtzon prikt haast door het tentdoek: ‘Thuis xxx W N'. Gelukkig, wel erg laat, maar ze zijn toch gezond weer thuis.

Slaap lekker lieverds. Ik glijd weg in een diepe tuk.

Ma 25 juni 2007

Om half tien staan we beide naast de tent, heerlijk geslapen. Lekker ontbijten in het tankstation en dan op naar Bodø voor een nieuwe achterband. Ik heb, na zo'n 4600 kilometer, nog maar één millimeter profiel. Lekker hoor; gooi je, daags voor deze reis, d'r twee nieuwe banden onder, zijn ze nu al versleten. Metzeler: my arse!

Twee echte motorzaken in Bodø kunnen me helaas niet helpen, zelfs een echte BMW-zaak. Ik kan ze wel bestellen, maar dan duurt het zo'n drie dagen tot ik weer nieuw schoeisel heb, kutjebibber. Bij een grote autozaak hebben ze wél een band, een voorband! Merde. Hier in het noorden rijden kennelijk alleen maar grote zware fietsen rond met grote brede banden. Vandaar dat mijn maat achterband hier slechts alleen maar in voorbanden bestaat, cultuurbarbaren, ofzo. Mijn fiets wordt getooid met een Bridgestone EXEDRA G 525. De letters staan in belachelijk hoog basreliëf op de zijwangen. Ik weet het nog niet, wat moet ik doen. De hele verdere bochtige rit over de Kystriksveien met twee voorbanden zint me niet zo. Het alternatief is echter minimaal drie dagen rondhangen in Bodø. Ook niet alles. Ik kies voor de eerste optie.

Al met al moeten we een paar uur wachten tot mijn fiets klaar is. Helaas hebben ze niet de juiste spanbussen voor mijn wiellagers, dus het achterwiel kan niet worden uitgebalanceerd. Daarnaast probeert de monteur ook nog mijn mooi roestvaststalen ventieldopje te scoren. 'NO, MINE'.

Aan het eind van de middag rijden we weer voorzichtig terug naar de camping. Bij de roemruchte ‘Joker' kopen we de spullen voor het diner. ‘Heel-erg-snel-klaar-noodles-met kruidenolie', verse paprika, verse courgettes en vier geprakte hamburgers. ‘Kook de mie in een ruime pan water in twee minuten gaar, voeg de in kleine stukjes gesneden paprika etc, etc. etc'. We donderen gewoon de hele zooi bij elkaar en bakken het op. Ook lekker, en lekker makkelijk, ha. Eigenlijk is het gewoon een bak bagger met een onbestendige smaak, gelukkig is een onbestendige smaak ook een smaak, en dat scheelt weer, toch?

Na deze dis moeten we afwassen. Helaas hebben we volstrekt geen afwasmiddel bij ons, maar zand doet wonderen, gewoon lekker schuren en weer uitspoelen, klaar.

We schrijven nog een paar regeltjes en lopen dan weer naar de Saltstraumen. We willen nu het geweld van boven zien. Er wacht ons een wandeling van wel twee kilometer. Boven op de hoge, maar slanke boogbrug hebben we een machtig uitzicht over de zee-engte.

Het is vloed, dus het water perst zich door de nauwte naar binnen, wat een geweld. Door alle draaikolken krijgt Pieter een onbeheersbare behoefte om ook deze brug in de urinale analen bij te schrijven. Hij loopt, zonder iets te zeggen een stukje door en gaat quasi-nonchalant met z'n buik tegen de reling staan. Goh...., wat valt dit helemaal niet op zeg. Vooral niet op de wijze waarop hij ietwat schichtig heen en weer staat te kijken. Diep beneden hem vliegt, geheel onwetend een grote meeuw voorbij. Het is dat het dier niet kan vloeken en met z'n vingers in z'n oogjes kan wrijven. Lekker hoor, 'doekje'.

Ook ik voel plots aandrang. Wederom hebben we onze genen toegevoegd aan de ruige Noorse natuur. Dit is goed zo.

Na een uurtje volop genieten van het schitterende uitzicht, en weer, lopen we terug naar de camping. Nog even flink wat ouwehoeren, schrijven, borrelen en lollen en dan, na een weldadige douche, weer heerlijk diep onder het dons. Natuurlijk wederom veel te laat.

Doe.

Di 26 juni 2007

Het grote nadeel van twee dagen op een plek blijven is wel dat ik 'n ontzettende zooi in de tent krijg, geheel onbedoeld natuurlijk. Dit overkomt me gewoon. Ik moet me gewoon door de voortent naar buiten wurmen. Natuurlijk moet deze zooi ook weer helemaal ingepakt worden, waar ik zo'n twee uur mee bezig blijk te zijn. Gelukkig is Pieter niet veel eerder klaar, dus hij kan er ook wat van.

Vandaag nemen we de roemruchte 17, de Kystriksveien naar het zuiden. Deze route moet ronduit schitterend zijn. Een kleine 700 kilometer sturen langs de Noorse fjordenkust over prachtige bochtige wegen. Dit belooft wat. Helaas regent het steeds een beetje. Goed opletten en voorzichtig rijden, vooral met mijn nieuwe achterband. De angst om op het gladde wegdek een schuiver te maken zit er nog steeds in. Ik ben geen regenrijder. Op droog en schoon wegdek durf ik het gas wel lekker open te trekken, maar op een nat wegdek ben ik erg voorzichtig. De motor heeft veel te weinig pk's om zonodig een beetje te driften, en als het achterwiel op het natte iets gaat glijden is het meestal al te laat, denk ik. Gelukkig heb ik deze hele reis nog geen enkel angstig moment meegemaakt. Houwen zo. Pieter is lekker al een keertje onderuit gegaan, hihi. Eigenlijk was het meer omvallen, maar toch.

Door de regen is het uitzicht een stuk minder dan wat we gewend zijn. We krijgen, mede door het geconcentreerde sturen een stuk minder van de omgeving mee, jammer.

We ontbijten na een half uurtje rijden in een verlaten tankstationnetje van ‘Best'. Dit keer alleen maar koffie met een broodje pølse, worst dus. Er is niets anders. Tanken en verder. Pieter stelt voor om wat rustiger te rijden. Een goed idee omdat we eigenlijk continu zo'n tien kilometer te hard rijden. Het lijkt wel of je in Noorwegen wordt geëxecuteerd als je hier iets stouts doet. Alles gaat hier strikt volgens de regeltjes. Of is het dat de Noren zo'n respect hebben voor de gevestigde orde, of misschien vinden ze het gewoon leuk. We weten het niet. Wat wel een feit is, is dat de mensen ontzettend behulpzaam en vriendelijk zijn, zoals het gedoe met mijn telefoonkaart in Tromsø, dit spande wel de kroon, formidabel.

De weg slingert zich langs de kust, prachtig. Halverwege rijden we langs een grote gletsjer in de verte.

In Forøy nemen we de veerboot naar ?gskaret, een klein tochtje slechts maar wel eentje met de noodzakelijke peukenpauze op de steiger, 'paaaaaaaltje'. Tegen vieren rijden we na de hele dag regen het haventje van Jektvik binnen. Hier moeten we de boot hebben naar Kilboghamn. Net als we de pier oprijden zien we de veerboot vertrekken, kut. Dat laatste sjekkie in ?gskaret hadden we nu net niet moeten nemen, kut. Gelukkig hebben we vakantie en toch niets anders te doen dan wachten. Het duurt zo'n twee uur tot de volgende boot weer gaat en een alternatief hebben we niet.

Ik zet m'n helm op en ga op de stenen kademuur liggen, even een lekker welverdiend tukje in de kou. Opeens schrik ik wakker van een schelle Duitse stem. Naast me staat een oudere Duitser naar een visser te kijken. 'Ja, ja..., dass ist ein. Ja..., ach nein. Ach nein, dass fehlte noch' De visser, een stoere jonge Duitser met een paardenstaart en een klein lederen tasje aan zijn broekriem, mompelt wat, pakt z'n spullen en gaat ietwat geagiteerd een stukje verderop staan. Langzaam loopt de schelle Duitser weer naar hem toe en het hele circus begint weer van voren af aan. Dit moet toch wel hoogst vervelend zijn. Zit je heerlijk aan een prachtige Noorse fjord te vissen, in alle rust. Sjokt de hele tijd een luidruchtige zeventiger achter je aan met het nodige commentaar. De visser kijkt steeds chagrijniger om zich heen als hij verwoed aan zijn molentje draait. Gebruik die hengel dan om steentjes zo ver mogelijk in het water te keilen, dat is toch veel leuker.

Nu ik toch wakker ben, loop ik naar de kiosk waar broederlief ontspannend met het plaatselijke bak- en braadmeisje zit te kwekken. We bestellen koffie met inheemse, zelfgebakken hapjes. Iets deegachtigs gevuld met gehakt en jam, heel lekker en dun. Een soort wafeltjes, maar dan heel anders.

Na twee uur wachten rijden we voorzichtig de boot op. Onze bandjes vinden het gladde stalen dek niet echt heel fijn, net sneeuw zo glad.

Op de boot staat een gezellig Frans stel foto's te maken. De vrouw laat, als ze lacht, een kleine drie vierkante meter aan tandvlees zien, da's een flink stuk! Dit heb ik nog nooit eerder gezien. Langzaam stomen we de Poolcirkel weer over. Op de wal staat een groot monument wat verrassend veel op dat van de Noordkaap lijkt. Dit keer wordt het op de boot omgeroepen. Heel anders dan op de heenweg waar we haast over de Poolcirkel struikelden zonder er zelf erg in te hebben. Op de boot hangt een bord waarop staat hoe je in geval van nood de boot moet verlaten. Om ons aller veiligheid te dienen, volgen we netjes een aantal voorschriften uit. Zoals als twee hoogbejaarde pinguïns met krampachtig toegeknepen bippen achter elkaar aan hobbelen op weg naar de glijbaan, armpjes strak langs de benen, om vervolgens met je armen omhoog klaar te staan om de ontsnappingsslurf in te duiken. Dit moet toch wel een zot gezicht zijn voor de rest van de opvarenden.

Vandaag hopen we Sandnessjøen te halen. Doch na zo'n twee uur door de regen over slechte wegen met een hele bult bochten vinden we het welletjes. Langzamerhand begint de kou een beetje door de, overigens prima Dane motorpakken heen te trekken. Bij Nesna vinden we een grote, goed verzorgde camping met pub! Tof. Vanwege de regen nemen we een hutje aan het water, klein maar fijn met schitterend uitzicht over de fjord met aan de overkant het eiland Handnesøya.

Bij het Shellstation gaan we eten. En maar zeggen dat we niet aankomen. Tijdens onze reis is één hele korrel maïs al een flinke groentemaaltijd. Gewoon een kwestie van alles anders benoemen en waarderen. Culinair gezien glijden we langzaam onder het ijs.

Meer vol dan -daan rijden we weer naar de camping. We moeten ons hutje nog inrichten en nog even wat bier drinken voordat we naar de pub lopen. De pub is een grote houten Indianen tipi met rendiervellen op de banken. In het midden snort een heerlijk warm vuur. Achter de bar staan een paar gigantische tieten, met een vrouw, ongelooflijk, zo groot heb ik ze nog nooit gezien. Boven de titanische busten pronkt een aanstekelijke brede lach. Fenomenistisch, wat een vrouw!

We krijgen met moeite nog een pilsje in een dun plastieken bekertje. Een stoere jonge vent, met een kort baardje maakt wat plaats en vraagt ons om bij hem te komen zitten. De jonge Noor heet Thorre of zoiets. Thørre de Nørre. De overvriendelijke vent is helemaal vanuit het zuiden langs de kust omhoog gevaren met een kleine houten zeilboot. Hij hoopt in een aantal weken de Kaap te ronden, vet. Thorre is een milieuvriendelijke Noor. Hij schaamt zich voor de Noorse walvisangst en stelt het milieu ver boven het economische belang. Naast Thørre zit een wat oudere man. Ik dacht eerst dat ze bij elkaar horen, maar dat blijkt niet zo te zijn. Gewoon een Noorse passant. Thørre wil graag onze fietsen zien, en nodigt ons uit om naderhand bij hem te komen kijken. Graag wil hij ‘karsjk' voor ons maken, heel speciaal zegt hij, we zijn benieuwd. Aan het eind van een lange houten pier ligt zijn schip. Een schitterend houten zeiljacht van zo'n tien meter. Helaas kunnen we niet op de boot omdat daar een paar Australiërs liggen te slapen. Deze mannen maken met een tweepersoons kajak dezelfde monstertocht als Thørre, helemaal langs de kust naar de Noordkaap. Na wat gestommel komt de Thørre de Nørre uit de boot met een klein keteltje en wat bekers. Gehurkt op de pier bereidt hij zijn brouwseltje.

Eigenlijk is het gewoon koffie met wodka, tjonge. Pieter en ik moeten samen een beker delen. Thorre heeft ook een stokvis mee naar boven genomen. Je moet gewoon met veel geweld een stuk vis losbreken en opkauwen, heerlijk. 'Tastes like dogfood, yes', zegt Thørre lachend. De vis is natuurlijk droog en erg taai, maar na wat sabbelen wordt deze heerlijk zacht met een heerlijke zilte smaak, super. Veel lekkerder dan de zakjes stokvis op de Lofoten.

Om de Aussies maar lekker te laten slapen lopen we weer terug naar de betonnen hoofdpier. Halverwege ligt rechts een klein lief scheepje met de onwaarschijnlijk mooie naam Nina. Hier zijn een paar grote wasbakken waar de vissers ‘hun' vis kunnen schoonmaken. Op de bodem liggen diverse karkassen als grof vuil. Opeens zie ik onder het wier wat bewegen. Een vis kan het niet zijn want er blijft steeds een bol stukje boven het water. 'Een otter' zeg ik tegen Pieter, wow, schitterend. Deze heb ik nog nooit live gezien, en nu zomaar midden in de nacht op een paar meter van ons af. Geweldig. De otter zit luid krakend en smakkend een vissenlijk te verorberen.

Wanneer ik met m'n fototoestel wat te dicht bij kom, zwemt de otter rustig weg. Een paar meter verder gaat hij weer verder met z'n zeebanket. Daadkrachtig wordt een gigantische zeepaling verscheurd. Schitterend. We blijven nog wat kletsen en tegen vieren lopen we terug naar ons hutje, slapen.

Slaap lekker.

Wo 27 juni 2007

Om half elf worden we wakker. We moeten opschieten want de eerstvolgende boot vertrekt om elf uur. Vandaag willen we tot Namsos komen, zo'n honderd kilometer boven Trondheim. Eerst de boot naar Levang. We zijn prima op tijd en drinken in de haven van Nesna wat koffie met een broodje. Het begint weer te regenen, merde. Dat belooft weer een koude natte rit te worden.

Na de 25 minuten durende overtocht stappen we na het 'paaaaaaaltje' weer op voor de rit naar de volgende boot van Tjøtta naar Forvik. De rit stelt niet veel voor. Door het slechte weer zijn we eigenlijk alleen maar aan het rijden.

De boot van Tjøtta naar Forvik heeft tussendoor nog twee aanlegplaatsen, een op het eilandje Mindlandet en de tweede in het plaatsje Stokka aan de vaste wal. Dit is een schitterende overtocht. Door het slechte weer doet de omgeving woest en nietsontziend aan, vooral de verlaten steiger van Mindlandet lijkt erg onherbergzaam. Vanuit Forvik moeten we weer naar de volgende boot in Anddalsvågen, deze brengt ons naar Horn. Elke keer komen we weer mensen tegen die we ook al eerder zijn tegengekomen. Maf.

Op de boot naar Horn zetten we de fietsen tegen de wand. 'Mijn koplamp rookt' zegt Pieter. Uit alle naadjes en kiertjes kringelen dunne rooksliertjes. Dat duidt op een flinke sluiting, urgh. Op het stuur zit ook al een zwartgeblakerde kabel. Gelukkig is dit de kabel naar de remlichtschakelaar, niet zo erg. Pieter knipt gelijk de kabel door en verwijdert ook de geblakerde kabel in de koplamp. De motor start en alles doet het verder. Alleen de claxon, remlicht en knipperlichten ontbreken, dan maar zonder. Binnen een kwartier zijn we aan de overkant en rijdt de motor weer, topmonteur!

Na het 'paaaaaaaltje' rijden we een dikke zestig kilometer naar de volgende boot in Vennesund. Op deze boot nemen we heerlijke warme chocolademelk. Wanneer we lekker in de salon zitten, wordt ik aangesproken door een jongen die ik ook al op de boot van de Lofoten naar Bodø tegengekomen ben. Een leuke vent. Hij is nu met zijn, volgens hem overactieve, vrouw op weg naar zijn schoonmoeder.

De eerste honderd kilometer is weer door de regen. De laatste twintig kilometer is weer droog en we laten de fietsen lekker plat door de bochten blèren, eindelijk. Op de langere rechte stukken bromt de motor met een trilling die bepaald niet onplezierig blijkt te zijn. Heimelijk begin ik wat te fantaseren, ik moet haast een stukje naar achter zitten. Ik moet naar huis. De drie weken beginnen hun tol te eisen.

In Namsos vinden we een mooie lommerrijke camping naast een vliegveldje. Met een winkeltje dat nog open is, ha. Er is zelfs nog bier, ha. 'No no no, no beer after eight o'clock' zegt de beheerder. Het moet toch niet gekker worden. Zelfs voor een paar natuurminnende broers, in de bloei van hun leven, helemaal vanuit Nederland, 5000 kilometer gereden en dan nét een half uurtje over tijd, kut. Wat hebben die Noren toch. Wat een willoze onderdanigheid zonder het geringste eigeninitiatief, bah.

Prima, we worden gewoon gedwongen om de motor te pakken en naar het stadje Namsos te rijden. Eerst zetten we de fietsen tegen het hutje en laden de boel af.

Pieter wil nog even naar zijn knipperlicht kijken. Na een half uurtje knippen en plakken blinken de oranje blokjes weer van plezier, goed zo broer. Dat moet gevierd worden.

We horen Oscar al van verre roepen: 'køm, køm, hårre h?bben wø øverhåårlijke Guinness vån øt våt', tof. Uncle Oscar is een gezellige bar, midden in Namsos met een lekker ruim verwarmd terras. Op de stoelen liggen overal lekkere plaids om je nog warmer te houden, mmmmm. Het hele terras is vergeven van de mooie meiden, we kijken onze oogjes uit.

Verderop zit een groepje luidruchtig te zuipen. Een van de mannen is heel erg behoorlijk aangeschoten en dat is te horen ook, wat een populootje zeg, ieuw. Een vrouw heeft ook al puntige oogjes van de vele glaasjes. Samen voeren ze een exotisch bedoelde dans uit, zingend zwalken ze over het terras. De handjes van de Ron Brandstederachtige man voelen vrolijk in het rond, het zal z'n eigen vrouw wel zijn.

Terwijl ik me vergaap aan het natuurschoon hier in Namsos, loopt Pieter naar binnen om een heerlijk pilsje te bestellen. Even later komt hij met één glas naar buiten, ooh. Binnen wordt voor mij een heel geinig glaasje Guinness getapt. Met zorg, en dat heeft z'n tijd nodig.

Even later komt de voluptueuze oberesse naar buiten met een mooi glas diep donker geluk. De bleekgele kraag ligt als een sneeuwdekje op het goddelijke nat. Wat een gelul. Dit is gewoon lekker bier en als je een paar honderd kilometer hebt gereden, is dat best fijn.

Mijn widiwidi gaat. Nina, hoi. Saampjes hangen we, met weemoed en verlangen, een dik half uur aan de telefoon.Nina vertelt van de verbouwing, die gestaag vordert. Ze doet het toch maar even, de rots. Met onze Jos gaat het best goed, en dat is echt heel fijn om te horen. Door alle indrukken die we tijdens deze tocht opdoen, blijft er niet zo veel tijd meer over om aan thuis te denken. 's Nachts, in mijn slaapzak, begin ik vaak te mijmeren over thuis, duizenden kilometers ver. Ideaal datNina mij te pas en te onpas kan bellen op mijn widiwidi, dat vereffent al gauw een heel stuk van de afstand. Niek komt ook nog even aan de telefoon. Het lijkt net of ik een andere jongen hoor, meneer krijgt de baard in de keel. Normaal zie ik hem elke dag, en dan valt het je niet zo op. Heerlijk om hem weer te horen, 't jong. Hij gaat overmorgen op kamp, 'auf Kampf', zegt hij lachend. Helaas mag hij thuis niet de 'man des huizes' spelen zoals hij gehoopt had. Hij krijgt zelfs maar één frikandel bij de wekelijkse patatsessie, en dat vindt hij heel sneu. En ik ook, voor hem, het ‘ach'erm'. Luid stuur ik m'n schatten een dikke smok hier uit Namsos, ik hou van jullie en ik mis jullie.

Plots staat de serveerster weer voor me. Met twee broodjes. Warme broodjes met skinke og ost (ham en kaas) en knoflook, boah dat is pas lekker. We laten ons heerlijk verwennen. Jammer dat we nog terug moeten rijden naar de camping, anders hadden we lekker kunnen uitborrelen. Nu blijft het bij slechts een pilsje. Ach, het kan verkeren.

Als we weer bij het hutje zijn, slaat ons de hitte tegemoet. We hebben de kachel op bakken en braden gezet om de motorkleren te drogen. We gaan maar beter op onze veranda zitten. Pieter nestelt zich buiten in een luxe draaifauteuil terwijl ik plaats neem op de harde planken vlonder, verschil moet er zijn.

We schrijven tot diep in de nacht. Het is half vier, nú slaapjes doen.

Tot morgen.

Do 28 juni 2007

We staan laat op, want dat is beter. Snel alle spullen inpakken en op naar Uncle Oscar. Hij heeft toch een diepe indruk op ons gemaakt. Wellicht kunnen we er heerlijk ontbijten. We bestellen een super broodje zalm met omelet, heerlijk. Daarna bestellen we weer een super broodje zalm met omelet, nog steeds heerlijk. Niet echt goedkoop maar dat is nu even niet anders.

Ik heb volstrekt geen idee hoeveel geld ik al heb gespendeerd, het zal nog wel genoeg zijn. We hebben ons toch niet echt exorbitant gedragen.

Er rijden een paar Oostenrijkse fietsen voorbij. Deze mannen waren we ook al eerder tegengekomen, boven op de brug bij de Saltstraumen. Ook de lieve serveerster van gisteravond is er weer, getooid met een grote Dolce Cabana bril op haar voorhoofd. We zien zelfs ‘Ron Brandsteder' van gisteravond voorbij lopen, nu nuchter(der).

Ik vraag de serveerster waarom alle Noren zo onderdanig en volgzaam zijn, haast bij het enge af. 'Norway is like a police-state', zegt ze teleurgesteld. Wij hadden ook al een beetje dit idee. Iedereen is doodsbenauwd voor een bekeuring, maar er is geen politieagent te zien. De hele reis hebben we hooguit tien politieauto's gezien.

Na dit heerlijke ontbijt zoeken we de zachte zitjes weer op en rijden verder. Vandaag hopen we zo'n beetje bij Røv te komen, een plaatsje aan de ‘65'. Ongeveer een honderd kilometer ten zuidwesten van Trondheim. We rijden nog maar net of het begint weer te regenen. Als we zo nog een dikke driehonderd kilometer moeten rijden, wordt het vast niet zo'n fijne rit. Jammer. Toch valt het gelukkig wel weer mee, het blijken slechts een paar fikse buien te zijn.

We rijden via Steinkjer naar Trondheim. Om Trondheim ligt een ring van tolpoortjes. Lekker alleen maar voor auto's, de motorfietsjes mogen fijn doorrijden. Natuurlijk zijn we weer de domme toeristen die netjes bij het tolpoortjeloket stoppen. Toch maar wat beter op de borden letten, daar staat het immers duidelijk op vermeld.

We moeten dwars door Trondheim heen. Op een best wel hele saaie plek stoppen we voor een sjekkie. We staan langs een drukke doorgaande weg, midden in de stad, voor de plaatselijke bingoclub, jottum. Niet zo bijzonder veel te beleven, maar het is droog, ha.

Via een heel boeketje aan tunnels rijden we de stad uit. Net onder Heimdal verlaten we de ‘E6', de ‘Noordkaaproute'. Deze weg is eigenlijk alleen maar netjes en druk, en dat zijn we niet meer gewend. De weg die we nu volgen loopt dwars door de Trollheimen heen, een schitterend natuurgebied en een schitterende weg. De omgeving is hier een stuk lieflijker dan in het ruige noorden, lieve heuveltjes met lieve boompjes en grasjes. Maar wel een heerlijke bochtige weg. Het is droog dus de voetjes schuren hier en daar weer over het asfalt, vet. De motor rijdt als een speer, hij ligt heerlijk vast op de weg. Door de zware bepakking heb ik lekker veel druk op het achterwiel. Ik ben blij dat mijn voorband, dus achter, mijn vertrouwen heeft gewonnen. Het valt me beslist niet tegen wat deze Bridgestone voor wegligging heeft, heerlijk. Luid zingend rijden we over de ‘65', niemand kan ons horen..., toch?

Door schade en schande zijn we erachter gekomen dat bier halen een goed voorbereidde en zorgvuldige klus is. Je moet heel goed plannen dat je ruim voor achten in de winkel bent, anders kun je het wel schudden. Hard zoeken naar een winkel dus, prioritieti nummero uno. We stoppen bij een ruime winkel waar nog licht brandt. Een medewerker staat de hal aan te vegen, maar wij mogen er niet in. De man reageert zelfs niet eens, rare Noor. Gesloten, bah. We zoeken ons geluk maar verder. Het is al een uur of zeven dus we moeten wel voortmaken. Ineens rijden we langs een grote supermarkt, mooi. De winkel is zelfs nog open en met een brede grijns lopen we naar binnen.

Wat een zaak, ze hebben van alles, en dan nog meer. In een koeling lacht een hele rij met blikjes Guinness mij uitdagend toe. Ik wordt overmand door een golf van geluk, ik hou het haast niet meer droog. We kopen brood, worst, bier en garnalen. Pieter heeft een soort saladedressing-buffet gevonden met allerlei heerlijke dingetjes: garnaaltjes, olijven, kaasblokjes, dressing, gesneden sla en nog veel meer. Hij propt een plastic bakje knettervol met deze lekkernijen en dekt het af met een lullig laagje sla, dit is pas een goed gevulde salade. Samen met de salamiworst en het brood krijgen we straks een hele maaltijd. Ik bedank de caissière voor haar uitgelezen sortering en laadt de boodschappen achter in mijn felrode Viking-line rugzak, alles kan er maar net in, en dat is een goed teken.

We rijden verder de laatste vijftien kilometer naar de camping in Røv. Dit blijkt echter geen camping te zijn maar een terrein met schitterende gezellige hutjes. Gelukkig heeft de vriendelijke eigenaar nog een huisje vrij. Wat een schitterende locatie. Een grasveld van zo'n honderd meter lang en een twintig meter breed, omzoomd door hoge loofbomen. De hutjes zijn in een woord geweldig, schoon, ruim en gezellig. Echte blokhutten met prachtig begroeide schuine daken en een ruime veranda. Je kunt er nét een tafeltje neerzetten met twee stoeltjes, ruim genoeg voor ons beide.

Achter de hoge boomwal horen we een snelstromende rivier, de Surna. Overal staan lange vliegvishengels tegen de huisjes, de een nog stoerder dan de ander. Pieter maakt een belachelijk lekkere salade en met een potje bier nestelen we ons op de veranda.

Op het open middenterrein zien we een paar vissers oefenen met hun hengels. Dit vind ik best wel sportief vissen, heel wat beter dan met een dobbertje aan de kant van het water zitten wachten tot je een ons weegt. Hier moet je nog werken voor de vis. Ik ben er eindelijk achter dat het moeilijke zwaaien met de vlieghengels alleen maar nodig is om de vlieg, met haak, zo ver mogelijk in de plomp te krijgen. Onze overbuur is een ware virtuoos, de lijn volgt een prachtige boog en met elke worp vliegt de verzwaarde lijn steeds weer een paar meter verder weg. Hij, en zijn buurman hebben beide een hond mee. De ene moet gewoon de hele dag, achter in de auto zitten. Hij mag er alleen maar 's avonds even uit. Hooguit een minuutje en dan moet hij het hutje in. Wat een zak van een baas en wat een arme, zielige hond. Zijn buurman gaat zowaar even lopen met zijn hond.

Voor óns is het hier goed toeven, de kramsvogels laten luid van zich horen, en op een gegeven moment zien we zelfs vleermuizen.

We blijven heerlijk zitten kletsen en schrijven tot diep in de nacht.

Slaap lekker.

Vr 29 juni 2007

Vandaag berijden we de Trollstigen, de ‘trollenladder'. Een prachtige weg, steil omhoog met vele scherpe haarspeldbochten. Een ware must voor de motorrijder.

Eerst ontbijten met verse koffie en het overgebleven brood. Samen met het bakje garnalen is dit een goed begin van wederom een prachtige dag.

Doordat ik alle kookspullen heb, Pieter heeft gewoon helemaal niets meegenomen, de etter, ben ik extra lang bezig om alles weer ordentelijk in de tassen te krijgen. Pieter vertikte het zelfs om z'n eigen bestek uit te pakken, de luie etter. Maar....., het is hem gegund, hij heeft dit dubbel en dwars verdiend, de topper.

Wanneer we voorzichtig over het grasveld wegrijden staat de hele ‘camping' ons uit te kijken, allemaal vissertjes en vissertjesvrouwtjes. De eigenaar blijkt een hele bekende Zweedse topvisser te zijn, tjonge.

In Kvenna nemen we de veerboot naar Rykkjem, een kort tochtje van zo'n tien minuten.

Bij de aanlegsteiger van Rykkjem drinken we koffie en roken we een sjekkie, 'paaaaaaaltje'. Twee bruinvissen zwemmen statig voorbij, mooooooi. Via Sunndalsøra rijden we naar Andalsnes. Weer zo'n schitterende tocht met prachtige bergen en heuvels, flink begroeid.

We moeten een flinke klim maken met allerlei uitdagende en spannende bochten. Pieter was beneden bij de afslag per ongeluk rechtdoor gereden en kwam daardoor achter een witte Volvo te zitten. Ik niet, ha. Ik had lekker vrij baan. 'Gååååååååååån' denk ik en knal volop naar boven, de BMW flink de sporen gevend. De bochten schieten voorbij, wat rijdt die motor fijn, en wat stuurt'ie super. Als ik boven ben ga ik heel snel afstappen en dan ga ik demonstratief met een sjekkie langs de kant staan wachten tot mijn broertje ook eens eindelijk boven is. Pieter heeft kennelijk ook het gas open getrokken want al snel hoor ik zijn motor de berg opbrullen. Mislukt. De weg naar beneden gaat een heel stuk behoedzamer. Onze trommelremmetjes zijn nou niet bepaald gesofisticeerde stoppers, daar moet je voorzichtig mee omgaan, goed uitkijken en vooral vroeg beginnen met remmen.

In Andalsnes eten we wat bij het tankstation. Vanaf Andalsnes begint het adembenemende dal met aan de zuidzijde de steile wand met zijn Trollstigen. Halverwege moeten we stoppen voor foto's.

We zijn weer in oh en ah land. Een jochie van een jaar of vijftien ploetert op zijn racefiets langs de stijgende weg omhoog.

Ineens staan we onderaan de Trollstigen. Een donderende waterval stort vanuit de hoogte omlaag. Halverwege is een prachtige kleine stenen boogbrug. De ‘63' slingert zich in vele haarspeldbochten naar boven. Bwah, dit is moooooi. 'Jaaaaaa' schreeuw ik en trek het gas open. Halverwege de klim stoppen we bij de boogbrug. Het jochie op zijn racefiets kruipt ons voorbij, tssss, uitslover, dom jong, rare Noor.

De brug overspant een waterval, die woest omlaag klettert. Door de nevel van waterdruppels heeft de brug iets mysterieus.

Net over de brug loopt een ‘pad' van losse rotsen en keien naar beneden. Het pad is eigenlijk meer iets voor berggeiten, voor een mens is het een aardige klim. Langs het pad hangt een zware ketting als leuning. Dit was vroeger de enige manier om vanuit het zuiden in het dal te komen. Bij een watervalletje doop ik mijn hoofd onder het ijskoude water. Natuurlijk wel eerst even mijn pak goed dichtgedaan. Heerlijk fris, ik ben gelijk weer wakker(der). Hier kan geen ‘Fa' tegen op.

Ik klim weer terug naar de brug. Samen rijden we verder naar boven. Dit schijnt de steilste beklimming over de weg ter wereld te zijn. Het is eigenlijk gewoon een verticale wand aan het eind van een diepe vallei.

Pieter zet z'n fiets netjes bij de parkeerplaats, de mijne zet ik gewoon bij een van de vele souvenirstalletjes. Bij het eerste winkeltje koop ik nog even een koelkast-trolletje. Degene die ik op de Noordkaap heb gekocht is voor Marc. Hij heeftNina superfijn geholpen toen de kelder thuis was ondergelopen. Het water stroomde bij een hevige regenbui vanuit de bouwput door een gat de kelder in. Het water stond Marc tot aan z'n bipjes. Toffe vent. Hij kan nu wèl zeggen dat hij de enige is die in onze kelder gezwommen heeft. Niek had er niet zo zin in, watje.

We lopen langs de kraampjes naar het ‘utsiktspunkt' of iets dergelijks. Wat een ongelooflijk mooi uitzicht, je kunt haast helemaal tot in Andalsnes kijken.

Zo, klaar, seen it, felt it, done it, rijden. Het is ondertussen zachtjes gaan regenen als we door de sneeuwvelden naar beneden rijden.

Sneeuwvelden? Ik wil met mijn fiets in de sneeuw staan. Na even zoeken vind ik een plekje waar ik zonder al te veel poespas de sneeuw in kan rijden. Pieter is ondertussen verder gereden. Ik zie hem nergens meer. Roepen en schreeuwen heeft geen nut. Ik hoor alleen de echo vanaf de bergwanden terug kaatsen, voor de rest is het hier volstrekt stil, desolaat, super. Voor de tweede keer vandaag hoor ik opeens het diepe gebrom van Pieters motor de berg opkomen. Breed grijnzend laat hij z'n achterwiel diep in de sneeuw graven, ‘doet me denken aan Polen. Het achterwiel staat tot de as in de sneeuw. Ondanks alle bepakking blijft hij zonder problemen staan.

We rijden weer verder naar beneden. De buikjes beginnen haast hoorbaar te knorren. Vlak bij Langdal stoppen we bij een restaurant. Het is weer prachtig weer, de zon staat te stralen aan het zwerk en het is zo'n 18°, heerlijk. We nemen elk twee fabuleuze broodjes hamburger met een spiegelei. Als toetje nemen we elk een groot glas verse aardbeien. We zitten hier tenslotte in ‘Strawberry valley' zoals de meer dan leuke serveerster ons vertelt.

Overal om ons heen zien we velden vol aardbeien. Ik ben niet zo'n heel enthousiaste fruiteter, maar deze aardbeitjes zijn werkelijk geweldig. Suiker of slagroom is niet nodig, zo zoet. Wel behoorlijk duur, behoorlijk erg duur.

In Valldal doen we boodschapjes en halen we geld. Er zijn zelfs twee supermarkten, gelukkig heeft de tweede Guinness, joepie.

In Valldal moeten we weer een veerboot hebben. Ik dacht dat we alle veerboten wel zo'n beetje gehad hadden, dus rijden we eerst even een beetje verkeerd. De veerboot brengt ons naar Eidsdal. Hier moet ergens een camping zijn die gerund wordt door een ex-conducteur van de NS. Dit had ik een paar maanden geleden in de trein gehoord.

Na even zoeken vinden we Camping Solvang, prachtig gelegen met schitterend uitzicht op een majestueuze bergwand aan de overzijde van het dal. We zetten onze tenten op en leggen ons, er voor in het gras, te rusten met bier en andere lekkernijen. Naast ons staat een Nederlands echtpaar met een typische ‘Vrijbuiter'tent. De man is een heerlijk kletsende trambestuurder uit Almere. Hij vertelt honderduit hoe veel hij wel niet heeft en wat hij wel niet allemaal kan, vooral op fotografisch gebied. We krijgen zelfs een visitekaartje voor zijn website. Een leuke kerel.

We lopen nog even een rondje over de camping. Over twee huisjes verdeeld zit een groepje Duitsers. Zij maken op hun glimmende nieuwe fietsen een rondritje door Noorwegen. Gelukkig weten zij precies hoe het allemaal moet en niet moet, dûh.

Het wordt te koud om languit voor de tent in het gras te liggen. Alle campings in Noorwegen hebben volgens mij een ruimte waar je lekker overdekt kunt zitten, behalve deze.

De enige voorzienig op deze camping is een houten hokje van twee bij twee met een tafel, twee stoelen en een elektrisch comfoortje. Géén verwarming, dus al gauw worden de kookplaten op frituren gezet wat, slechts voor kort, wat warmte biedt. We ouwehoeren en schrijven nog wat en na een uurtje duiken we de tent in, brrrr. Het is hier nog steeds niet donker.

Welterusten.

Reacties

{{ reactie.poster_name }}

Reageer

Laat een reactie achter!

De volgende fout is opgetreden
  • {{ error }}
{{ reactieForm.errorMessage }}
Je reactie is opgeslagen!